Saturday, July 14, 2012

Bij de dood van Gerrit Komrij

Hij heette Gerrit, als mijn vader, die ook uit het oosten des lands kwam. Maar dat is niet de reden dat ik hem zo bijzonder vond, hoe gehecht ik ook was aan mijn vader. Ook niet alle mooie dingen die zojuist in de herdenking op deze druilerige dag - hoe kon het anders dan druilerig zijn - over hem gezegd zijn, hoezeer dat alles hem ook recht deed. Hij was bijzonder om wie hij was, om wat hij schreef en wat hij zei. Maar voor mij begon de bewondering voor Gerrit Komrij in Portugal, in 1988.
Nu hij dood is ben ik de oude dagboeken maar weer eens gaan opzoeken. Ik vind teksten en tekeningetjes waarvan ik geen weet meer had dat ik ze nog had. Een tekening van Gerrit Komrij voor een wegwijzer en tekeningetjes van het Palacio dos Botelhos, dat hij toen zelf omschreef als een "poëtische mooie juwelen doos in de handpalm van het paradijs".  Destijds schreef hij stukjes over Portugal in de krant, echter zonder te onthullen waar hij woonde want hij wilde niet voor het oprapen liggen voor "allerlei soorten onbenul". En achteraf las ik ook dat hij hoopte dat mensen die zouden proberen de barre tocht tot hoog in de bergen te ondernemen tot op het laatste moment ontmoedigd zouden worden en nog op vijf minuten van het einddoel zouden besluiten om maar terug te keren. Maar wij waren destijds van de aller-hardnekkigste-soort en bereikten het einddoel.

Illustere figuren waren ons al voorgegaan, onthulde Jan Mulder vanmorgen in de herdenking. Zelfs met een koffer met munitie. Achteraf hebben we kunnen lezen in Komij's toch wel behoorlijk autobiografische roman 'Over de bergen' waartoe al het buskruit diende. Maar toen ik samen met mijn toenmalige vriend aankwam in Alvites had ik nog geen idee van de toestand ter plekke. Door veelvuldig informeren bij de plaatselijke bevolking waren wij er achter gekomen waar de schrijver en zijn vriend Charles woonde en toen wij zijn dorp binnenreden bleken de vogels, in naar men zei hun groene peugot, gevlogen. Ik schreef het volgende in mijn dagboek:
"De spanning stijgt ten top wanneer wij het dorp naderen en Komrij's huis reeds op afstand denken te herkennen. Het lijkt een paleis van een voormalige grootgrondbezitter of  een klooster en we zien niemand in de omgeving; alles lijkt gesloten. Terloops informeren we nog even naar de twee Nederlanders. Zij blijken die dag vertrokken."

Ik herinner mij nog dat ik toch iets van mijzelf wilde achterlaten en dat ik ter plekke een brief schreef die ik maar moeilijk kon posten omdat er nergens een brievenbus te ontwaren viel en omdat niemand die brief in ontvangst wilde nemen. Later zou blijken waarom. Zij waren daar hals over kop vertrokken na de meest vervelende geruchten over drank en drugs en wij vernamen dat het leven als twee artistieke homoseksuelen in een afgelegen Portugees dorp in Tras Os Montes beslist niet eenvoudig was geweest.
Nog weer veel later met alweer een ander vriendje reed ik door Vila Pouca da Beira. Inmiddels was ik wat ouder en wijzer geworden en niet meer zo obsessief op zoek. Toch stapte ik ook daar even uit de auto om langs de villa van Komrij en zijn partner te lopen. Op het balkon stond niet Gerrit Komrij, maar Charles en wij zeiden vriendelijk "goedemorgen" tegen elkaar.

Als ik nu nog eens terug ga naar Portugal, dan zal het zijn om het graf van Gerrit Komrij te bezoeken. Gerrit Komrij heeft mij sinds mijn eerste bezoek aan Portugal nooit meer losgelaten.
Anita Brus, 14 juli 2012

Naschrift:

En daar lag hij dan in Felix Meritis, in zijn 'pennendoos' en omgeven door kamille, korenbloemen en klaprozen en Portugese fado's op de achtergrond. Ik was meer dan ontroerd.  

Wednesday, June 27, 2012

Canto para un hombre hermoso y orgulloso de amarillo, blanco y negro














Con el amarillo y el blanco del traje tuyo unas partes de los poemas 'Amarillo', 'Blanco' y 'Negro' de Rafael Alberti:
Acciono con la luz, soy un activo
cómplice de la luz contra la sombra.

Gualda de sol -pintura- de Pompeya.

Oro en el nimbo de los viejos santos.
Oro ingenua labrado de Edad Media.

El amarillo Rembrandt revelado.

Temo el azul porque me pone verde.

Me gritan las naranjas:
-Amarillo limón,
¡Ay, quién pudiera,
Amarillo limón, ser tu amarillo!

Me tuesta el ocre. El rojo
me excita y me suspende hasta la altura
naranja de la llama.

El amarillo cromo, satinado.

Y todo ese amarillo sobre el blanco;

Dijo el blanco: -Yo puedo,
feliz, estar en todo, porque soy
la imprescindible sangre para el justo
clarear de la luz en los colores.

Y toda la tela sobre la piel negra:

Dio su revés la luz. Y nació el negro.

Y abrió un hoyo en lo claro, un agujero
desde el que dijo:
                Soy también hermoso.




Sunday, June 24, 2012

Huisje te huur in Vinkeveen/Se alquila una casita en Vinkeveen


Wie wil mijn huisje huren van 28 juli t/m 23 augustus?
¿Quién quiere alquilar mi casita del 28 de julio hasta el 23 de agosto?

Wednesday, June 06, 2012

Mi nacimiento

Un día no estuve,
y estuve en el cielo
y estuve en la tierra
y estuve en el mar.
Yo era niño, y sonreía.
Y Dios, que no duerme,
en la tierra quiso verme.

Algo de alma me daba,
el alma con su alma,
un poco de risa
y algo de sonrisa.

Un día de noviembre
vi la claridad del mundo;
con destreza salté y de mi madre
salí. ¡Qué guapo era!
¡Ah, perdonen!; no era feo.

Mijn geboorte

Ooit was ik er niet,
en was ik in de hemel
en was ik op de aarde
en was ik in de zee.
Ik was een kind en glimlachte.
En God die nooit slaapt,
wilde mij zien op aarde.

Iets van een ziel gaf hij mij,
mijn ziel met zijn ziel,
een beetje een lach
en iets van een glimlach.

Een dag in november
zag ik het licht van de wereld;
vaardig sprong ik en ik sprong
uit mijn moeder. Wat was hij mooi!
Ah, pardon!; hij was niet lelijk.

Juan Tomás Ávila Laurel

Sunday, May 20, 2012

De klank van de bandoneon

Interview met documentairemaakster Jiska Rickels over ‘El sonido del bandoneon’,
openingsfilm tijdens het filmfestival IDFA in Amsterdam

(eerder gepubliceerd in het tangotijdschrift La Cadena www.lacadena.nl)

Door Anita Brus
De bandoneon die zijn mysterie onthult als je hem openvouwt. Het mysterie dat een lange weg heeft afgelegd tussen de coplas, cuecas, carnavalitos, de verschillende ritmes van Salta en Jujuy, provincies in het noorden van Argentinië. Wat een verschil met die heel andere bandoneon, die van de tango in Buenos Aires. Deze verschillen vormen het uitgangspunt in de documentaire van Jiska Rickels, die eind november in Amsterdam in première ging tijdens het documentairefilmfestival IDFA, International Documentary Film Festival, in het bijzijn van prinses Máxima en prins Willem Alexander.

De documentaire opent met ‘de bandoneon die huilt en kreunt’, volgens de beroemde bandoneonist Néstor Marconi die hem in Buenos Aires bespeelt. ‘We hebben het over het hart van het instrument’, zegt hij terwijl hij zijn vingers opwarmt. Even later horen wij de klanken van ‘El bandoneon arrabalero’, het lied dat gaat over een verlaten bandoneon die wordt teruggevonden onder een lantarenpaal en die er met zijn kreunende geluid niet in slaagt degene te troosten die hem vindt.

Cactussen en karton
Veel vrolijker klinkt het in de Noordargentijnse provincie Jujuy. De overgang van tangodansers in de Confitería Ideal te Buenos Aires, naar de cactussen in het kleurrijke landschap van de quebrada van Humahuaca, de Humahuaca kloof, is abrupt en indrukwekkend. Hier worden ritueel sigaretten geofferd aan Pacha Mama, Moeder Aarde, en galopperen de paarden op de folkloristische klanken van een eenvoudige bandoneon. Die wordt bespeeld door Daniel Vedia, de plaatselijke bandoneonist en een van de weinigen die in het bezit is van een echt instrument. Zijn leerlingen moeten het doen met een van wijnpakken in elkaar geplakt, namaakexemplaar met gekopieerde toetsen. Toch wordt ook op dit kartonnen instrument naar hartenlust gespeeld, zij het met wijngeur en zonder geluid.

“De bandoneon is voor mij veel meer dan muziek”, zegt Vedia. “Zonder bandoneon voelt het alsof ze mijn arm hebben afgehakt.” Het maakt ook uit waar hij speelt: “Spelen in een dal is anders dan spelen op de top van een berg.” Maar juist wanneer de klanken van zijn bandoneon klinken over de Argentijnse zoutvlakte, belanden wij in de documentaire in de sneeuw van een gezapig Duits stadje waar ooit de eerste bandoneons gemaakt werden. Het instrument werd hier in Carlsfeld in de voormalige DDR als handorgel bespeeld in de kerk. Toen de fabriek werd onteigend, kwam de productie stil te liggen. Dat de bandoneon toch overleefde, is te danken aan de Duitse emigranten die hem meenamen naar de bordelen van Buenos Aires.

Het hart van de bandoneon
“Alles van grote waarde komt terug als de tijd er rijp voor is”, beweert Néstor Marconi, terwijl hij zijn vier zwarte, blinkende bandoneons koestert. Ondertussen noteert Daniel Vedia in Jujuy de laatste noten op het schoolbord van het lokaal waar hij lesgeeft. Vervolgens reist hij vierentwintig uur met de bus naar Buenos Aires waar een reparateur het binnenste van zijn bandoneon blootlegt. Die beelden worden afgewisseld met beelden van de tango in Buenos Aires, onder de klanken van ‘El duende de tu son, Che Bandoneon’. Een ontroerend einde van de documentaire.

De traan van Máxima tijdens haar huwelijk was de aanleiding tot de opdracht voor de film. “Met het oog op de kroning wilde men dat deze film gemaakt werd, hoewel niemand nog weet wanneer dit zal plaatsvinden”, vertelt Jiska Rickels. Ze nam de opdracht graag aan:  “Voor mijn vorige film ‘4 Elements’ was ik in 2007 al een keer in Argentinië geweest, tijdens het filmfestival van Mar del Plata. Toen ik opnieuw voor research naar Argentinië ging, ontmoette ik bandoneonist Daniel Vedia. Door hem werd duidelijk dat ik ook deze film echt wilde maken. Zijn instrument is niet perfect, maar ik was onder de indruk van de gedrevenheid waarmee hij speelt en lesgeeft. Hij speelt op zijn gevoel, met zijn hart in het instrument."

Tangokoorts
Jiska woonde en reisde vier maanden in Argentinië. Pas toen ze terugkeerde naar haar toenmalige woonplaats Berlijn, besloot ze tango te gaan dansen: “Eerder had ik flamenco gedanst in Sevilla. Tango vond ik eigenlijk maar een stijve dans. Ik begreep bijvoorbeeld niet waarom je als vrouw achteruit zou moeten lopen. Maar om het te kunnen filmen, wilde ik weten hoe het is; hoe dat voelt met die schoentjes, nagellak en alles wat ik met tango associeer. Daar wilde ik helemaal induiken, dus ging ik met mijn partner - die ook mijn cameraman is - tango dansen. Dat was nog een heel gevecht. Hij vond dat ik niet luisterde en ik vond dat hij het niet duidelijk aangaf. Doordat hij vaak niet kon vanwege zijn onregelmatige werktijden, ging ik op een gegeven moment alleen naar de salons in Berlijn, alwaar ik de tango fever flink te pakken kreeg. Tijdens het draaien in Argentinië, namen we vervolgens op onze vrije dagen privéles. Op dit moment volg ik lessen bij Arjen & Marianne, met de geluidsontwerper van de film.”

Bandoneons verdwijnen
Daniel Vedia speelt echter geen tango maar folklore. “Mijn film gaat niet alleen over de passie voor de bandoneon, maar ook over het verdwijnen ervan”, legt Jiska uit. “Er worden containers vol bandoneons uit Argentinië weggesleept. Ze worden meegenomen door toeristen en er worden te weinig nieuwe bijgemaakt sinds de fabriek in Carlsfeld is gesloten. Er is een tekort aan goed klinkende, oude exemplaren; vooral in Jujuy waar men folklore speelt en de liefde voor de bandoneon groot is. Daniel Vedia had twee bandoneons waarvan hij er een uitleende aan zijn leerling Fabricio die in de film de kartonnen bandoneon bespeelt zonder klank, waar alleen maar zure lucht uitkomt. Hij heeft besloten de geleende, echte te kopen, maar is hem nog aan het afbetalen.”  

Máxima en Kraayenhof
Een niet gering bijeffect van de film is dat er nu steun komt uit diverse hoeken. Jiska vertelt dat Carel Kraayenhof  zo door de film is gegrepen, dat hij volgend jaar misschien gratis gaat lesgeven in Jujuy: “Hij wees ons ook op Rocco Boness die in Duitsland oude bandoneons restaureert. Deze heeft aangeboden oude instrumenten gratis te willen opknappen.”

Van Carel Kraayenhof is het maar een kleine stap naar Máxima, en de vraag hoe de ontmoeting met haar was, brandt al een tijd op mijn lippen. “Iedereen wilde dat ze bij de film ging huilen”, reageert Jiska. “Maar het is geen film waarbij je nou direct je tranen voelt prikken. Toch had Máxima twee keer moeten huilen, vertelde ze me na afloop. Ze werd geraakt door de mensen in de documentaire. Zij en Willem Alexander waren enthousiast en toonden zich zeer geïnteresseerd; ze stelden veel vragen. Máxima zei dat ze het prettig vond dat er niet alleen op tango werd gefocust, maar juist ook op folklore. Bij het afscheid werd ze door de Argentijnse muzikanten omhelsd. Al met al was dit hoge bezoek bij de première van een documentaire natuurlijk heel bijzonder”, beaamt Jiska. “Het helpt de documentaire als filmgenre vooruit; deze is toch nog steeds een beetje ondergeschoven.”

Jiska vertelt dat in haar vorige documentaire ‘4 Elements’ - over de vier elementen aarde, water, vuur, lucht - geen interviews zaten: “Ik wilde uitproberen hoe het is om mensen niet aan te spreken op hun ratio, maar op hun gevoel. Dat was dus een vrij abstracte film, terwijl ik met deze film dichter bij de mensen wil komen.” Gekeken naar de reacties van het koninklijk paar, is dit haar aardig gelukt.

Afsluiting in de Academia
De tango is zeker niet abstract voor Fabricio Aramayo, die met zijn leermeester Daniel Vedia nog een optreden geeft op de zaterdagavond in de Academia de Tango. Daar botsen de culturen: Aramayo is trots op zijn zojuist verworven, echte bandoneon. Hij weigert dan ook ‘voor de show’ te spelen op zijn eveneens aanwezige, kartonnen exemplaar. “Ik schaam mij”, roept hij als er wat al te zeer wordt aangedrongen, om vervolgens het echte instrument op te pakken. Door de mooie documentaire van Jiska heeft hij de kartonnen wijngeur achter zich gelaten.

Friday, May 18, 2012

De Marokkaanse Wilders

zie ook:

Aangekomen bij mijn Marokkaanse slager annex groenteboer zie ik dat ik mij vergis. Vanuit de verte dacht ik dat hij open was, maar als ik dichterbij kom zie ik dat het de kratten zijn van de buurman die ik voor de zijne hield. Mijn favoriete slager blijkt dicht.

Ik ben bijna verontwaardigd als ik zie dat mijn slager zijn ramen heeft dichtgetimmerd. Daar hadden die mannen, die zo trots leken op hun zaak, mij niets over gezegd. Pas geleden hadden ze mij nog extra goeie olijfolie beloofd die zij weldra uit Marokko zouden importeren. Geen woord over een op handen zijnde sluiting. Zonder echt goed te kijken, loop ik langs hun winkel naar die van de buurman om daar mijn boodschappen te doen.

De buurman lijkt op de Albert Heijn. Hij heeft een goed geoutilleerde winkel met twee kassa’s met lopende banden. Het assortiment is ruimer en misschien kwalitatief ook wat beter dan dat van mijn vaste adres. Bij mijn slager kocht ik wel eens sinaasappelen die van binnen half rot bleken. Toch kwam ik daar het liefst. De zaak werd gedreven door vier bijzonder aardige Marokkanen met wie ik inmiddels een band had opgebouwd. Ik was hun vaste Hollandse klant en het leek wel alsof ze daar een beetje trots op waren. Meestal kon er wel een extra bosje koriander vanaf en we voerden ook leuke gesprekken over Marokko, waar ik nog niet zo lang geleden was. Trots wezen ze mij op hun slagersdiploma en de hygiënische maatregelen die ze troffen, met een knipoog naar de oudste van de vier die nog met zijn blote handen in het vlees greep. Maar aan dat vlees mankeerde niets en het was ook nog eens heerlijk gekruid.

Het bezoek aan de buurman voelt een beetje als verraad. Ik struin wat doelloos langs de schappen, koop er het minimale en reken af zonder echt contact te maken met de meneer achter de kassa. Niemand die de boodschappen hier voor mij in een grote tas doet en ik loop, nadat ik dat zelf heb gedaan, enigszins verbouwereerd naar buiten richting de auto die ik wat verderop heb geparkeerd, voorbij de pui van de winkel van mijn vertrouwde slager. Pas als ik nog even opzij kijk, zie ik het. De ramen zijn niet alleen dichtgetimmerd, maar er liggen ook verschroeide resten van schappen voor de winkel. Er moet brand geweest zijn.

Ik besluit aan wat Marokkaanse mannen op een terras te vragen wat hier gebeurd is. “De zaak is in brand gestoken”, vertelt een van hen. “De politie is nog bezig met een onderzoek. Zo zonde, want de eigenaren van die zaak waren zulke lieve mannen. Die verdienen dit echt niet.” Ik vraag ze of ze enig idee hebben wie de brandstichters waren. “Wat dacht je, onze Marokkaanse jeugd natuurlijk. Deze buurt is echt vreselijk”, is hun reactie.

Maar waarom steken Marokkaanse jongens de winkel van hun Marokkaanse buurtgenoten in de fik? “Om niets, omdat ze geweigerd werd op een laat tijdstip daar nog iets te kopen. Het komt door de slechte opvoeding. Er wonen hier nogal wat gezinnen waarvan de kinderen niet worden opgevoed.” En is dat dan niet de verantwoordelijkheid van de ouders? “Met die ouders valt niet te praten. Zij weten niet hoe ze moeten opvoeden en er is een groot verschil met Marokko. In Marokko is meer respect en er wordt daar harder gestraft.”

Als ik over Wilders begin roept een van hen: “Wilders heeft voor 70 procent gelijk. Hij heeft alleen met zijn ideeën over de islam geen gelijk.” De anderen noemen deze man gekscherend de ‘Marokkaanse Wilders’ en ze zijn het niet allemaal met hem eens. Maar niemand lijkt een goede oplossing te hebben voor de jeugd uit problematische Marokkaanse gezinnen. “Bovendien kunnen het ook nog Nederlanders geweest zijn, want er was eerder een bedreiging van een Nederlandse leverancier”, zegt een van hen.

Ik vraag mij af of het niet ook een gevolg is van de verharding van onze maatschappij. Marokkaanse jongetjes of Nederlandse leveranciers, het lijkt om het even. Wat telt, is dat in Amsterdam West de winkel van vier hard werkende, goedwillende Marokkanen is afgebrand.

Wednesday, May 09, 2012

Foute date

Zie ook
http://www.frontaalnaakt.nl/archives/een-foute-date.html


“The naughty one is me”, schreef hij mij op de eerste dag van januari jongstleden. Die zin - in combinatie met een voorkeur voor films van Stanley Kubrick -  had eigenlijk alle alarmbellen al moeten laten rinkelen. In plaats daarvan werd ik nieuwsgierig. Het begin van een spannende affaire met pijnlijke afloop.

“Komt u wel aan uw intellectuele en lichamelijke trekken bij het plaatjes kijken?” vroeg hij. “Of heeft u wellicht nog meer nieuwjaarswensen die u graag bevredigd wilt zien? Als ik u ergens mee van dienst kan zijn, mijn tong voor u kan laten spreken, of u zou kunnen assisteren bij uw warmste en diepste gevoelens, dan moet u mij dat onverwijld laten weten.” Ik moest er om lachen en natuurlijk kwam ik niet aan mijn trekken door uitsluitend plaatjes te kijken op de dating site waar we elkaar hadden gevonden. Bovendien was ik aan het begin van dit nieuwe jaar toe aan een frisse start. Ik bekeek zijn ‘plaatjes’: vier - nogal verschillende - foto’s. Hij daagde mij uit ze te beschrijven, waarna ik hem typeerde als museumdirecteur, vlotte filmacteur, schrijver en autocoureur. Hij was het allemaal geweest of nog steeds, beweerde hij, behalve museumdirecteur. De foto die ik als zodanig had getypeerd, verwijderde hij onmiddellijk van de dating site. Hij zette er een voor in de plaats waarop hij te zien was met een trieste blik en dandyachtige haardracht, type Oscar Wilde. Een vrolijker foto had hij niet, liet hij mij weten, want hij poseerde nooit vol jolijt. Aan een olijke noot zou het hem echter niet ontbreken en al zijn gezichten waren verenigd in één ziel terwijl “het hart zuiver was en de intenties oprecht”. Hij kon het mij bewijzen in woord en daad, schreef hij.

Hij schreef ook dat hij zichzelf doctorandus in de Klinische Psychologie mocht noemen. Hij zou bedreven zijn in het herkennen, analyseren en/of behandelen van geestelijke pathologieën, ofwel ziektes van de geest. Het “nobele beroep van therapeut” had hij echter nooit daadwerkelijk gepraktiseerd. Wel was hij bezig met het schrijven van een ‘tragikomische autobiografie’ over zijn belevenissen in Australië - en ik hield hem, zoals hij het zo mooi uitdrukte, “op vileine wijze” van zijn werk. Maar al radend naar mijn naam hield hij ook mij van mijn werk: “Ana, Anna, Annebelle, Annabel, Adelbrecht, Agneta, Akeelah, (het Amsterdamse) Akira... u ziet, ik schiet hier behoorlijk uit de bocht.” Toen ik op deze hele reeks namen wat verbolgen reageerde, schreef hij: “Ik constateer dat ik u verwond heb en uw koortsachtige Spaanse temperament (ik spreek Spaans) heb aangevuurd. Ik kan hier in de Amsterdamse Pijp bijna uw nijdige castagnetten (ik dans tango en flamenco) horen kletteren. U bent tot in het diepst van uw nagloeiende lendenen beledigd, waarvoor mijn excuus. Mag ik, ondanks dat ik riskeer dat uw bloeddruk nog hoger oploopt met het gevaar op een TIA, nog een poging doen?”

Na wat grappen over en weer hoopte hij snel weer iets van mij te vernemen, om mij nog beter te kunnen doorgronden en in de toekomst mijn ‘vrouwelijke parfum’ nog beter te kunnen waarderen. Toen ik hem vroeg mij te bellen deelde hij mij mee dat hij nooit belde met vreemde vrouwen wiens parfum hij nog niet geroken had. Liever diepte hij ons contact eerst nog wat verder uit door er al schrijvend “zwoelstevig” de tijd voor te nemen. Wij zetten onze correspondentie voort met als rode draad oesters, tongen en tango. Bij onze eerste ontmoeting zouden wij oesters gaan eten en zou ik kennis maken met de vaardigheden van zijn tong. Op (tango)dansgebied viel er echter weinig van hem te verwachten, schreef hij. Toen ik aangaf dat ik dit niet erg vond reageerde hij: “Gelukkig valt met u te onderhandelen. Heb het simultaan latino-dansen en tongen nooit echt goed onder de knie gekregen. Daarentegen, het tongen an sich, maar met name de cunnilingus, heb ik wel tot kunst verheven. Daarom durf ik u zonder valse bescheidenheid te beloven dat ik u langdurig en intens van mijn tong kan laten genieten. U genot bezorgen is namelijk ook mijn genot. Bovendien lijkt u mij het vrijzinnige type dat mij zowel visueel als intellectueel kan inspireren tot grootse prestaties. Toch heel jammer dat ik u geen referenties kan overleggen wegens het intieme karakter van het onderwerp.” Ik moet toegeven dat dit alles mij enigszins opwond.

Ondertussen ging er van alles tussen ons heen en weer. Ik stuurde hem eerder geschreven stukken over de tango en tekeningen. Hij stuurde mij nog net niet zijn tong, maar wel zijn stem waarmee hij zijn in het Engels geschreven tekst met een feilloos Australisch accent foutloos voorlas. En een beschrijving van het pestgedrag van zijn kater: “pootje haken, het niet aflatende schijnbewegingen maken in het passeren zodat ik over mijn eigen benen struikel, het mekkeren en blaten wanneer ik `s nachts in bed lig, het excrementeren in plantenbakken als iets hem niet zint, en ik denk dat ik nog wel een waslijst vergeten ben waar mijn kater de tijd mee doodt”, eraan toe voegend dat hij de kat ook terugpestte.
Alles wat hij mij schreef, vond ik buitengewoon geestig. Toch kwam ik er na verloop van tijd achter dat hij ook in clichés dacht en soms klonk er iets van frustratie door in zijn tekst: “U bent gewend aan Commedia dell`Arte, aan Don Juans die zogenaamd uw corazón aanbidden en heel origineel met een rode roos tussen hun tanden staan te kwelen onder uw balkon. Bent u dwalende? Een romantica die immer smacht naar het onbereikbare en minderwaardig vindt wat tot haar beschikking staat?” Ik was niet dwalende en vond het ook niet minderwaardig wat tot mijn beschikking leek te staan. Maar misschien had ik dat beter wel kunnen vinden, want na verloop van tijd verschenen de eerste barsten in ons contact.

Dit begon met de zelfmoord van Anil Ramdas, een ieder die de NRC leest welbekende schrijver en journalist. Mijn treurnis over de dood van Ramdas viel bij hem niet in goede aarde. “Een hardnekkig wegkijkend Linksmensch”, noemde hij hem. Desondanks gaf hij aan dolgraag nader met mij kennis te willen maken om zijn liefde voor mij – inmiddels waren woorden als ‘houden van’ en ‘liefde’ er in geslopen – te bekrachtigen. Zij het dat hij eerst zijn huidige verhaallijn moest zien af te ronden. Toen het zover was en wij elkaar ook werkelijk gingen ontmoeten, bespeurde ik enige onzekerheid. “Wat als mijn tong niet in optimale vorm is? Mijn tong die ik eerder groots geprezen heb en tot goddelijke proporties heb verheven”, schreef hij. Bij onze eerste ontmoeting begreep ik die onzekerheid. Niet over zijn tong, maar over zijn uiterlijk en leeftijd. Hij bleek in werkelijkheid vijf jaar ouder dan aangegeven op de dating-site, en hij oogde met zijn niet al te grote, ietwat corpulente lijf allerminst als Oscar Wilde. Maar een kniesoor die daar op let. Per slot van rekening was ik onder de indruk geraakt van zijn schrijfstijl en alles wat hij mij tot nu toe gestuurd had. Zijn uiterlijk en het leugentje over zijn leeftijd waren dus geen beletsel voor een verdere kennismaking.

Oesters aten wij die eerste keer niet. Wel zwalkten wij wat door de Amsterdamse straten om aangenaam te eindigen in een café. Daarna ging ik op vakantie naar Marokko en nam schelpen voor hem mee. Die verpakte ik in een mooi doosje bij wijze van cadeautje. Hij taalde er niet naar. Onze tweede ontmoeting had ook bij lange na niet de glans van de eerste. Hij was op zijn ‘retro-motorscoot’ naar mijn tuinhuisje in Vinkeveen gekomen, en stond plotsklaps in mijn tuin, klagend over de drassigheid van het terrein en de ‘kleinburgerlijkheid’ van het oord. Tot echt goede gesprekken kwam het die middag niet. We hingen wat rond in de tuin en maakten  een ritje op zijn motor.

Toch bleven er foto’s van schilderijen, muziek en teksten komen. Eerder had hij mij het Bal Tabarin van Jan Sluijters gestuurd en Under the Roof of Blue Ionian Weather, van de van oorsprong Friese schilder Laurens Alma-Tadema. Op het schilderij van Alma Tadema zijn twee mannen te zien, van wie er een op een dwarsfluit speelt, omgeven door vrouwen in een klassiek marmeren theater. Hij schreef mij dat hij zichzelf zag als het “wufte heerschap” tussen de dames in lang vervlogen tijden. Dat waren volgens hem tijden waarin de elite zich oeverloos verveelde. Maar over zijn eigen omstandigheden in onze tegenwoordige tijd liet hij niet al te veel los.

Op een gegeven moment drong zich bij mij het beeld op van Jack Nicholson in The Shining, een film van Stanley Kubrick, de door hem zo gewaardeerde regisseur. Aan het begin van die film is er nog niets aan de hand. Nicholson is schrijver en betrekt met zijn vrouw en zoontje een verlaten hotel in een afgelegen oord. Alles gaat goed tot er bange vermoedens komen van zijn vrouw. Zij ontdekt uiteindelijk dat haar man doet alsof hij schrijft. Hij blijkt bezeten, typt pagina’s vol met eenzelfde zinnetje en de hel is los. Nicholson ontpopt zich in de film tot een huiveringwekkende figuur die met een bijl woest om zich heen slaat.

Schrijft hij eigenlijk wel aan die autobiografische roman van hem? En wat doet hij verder nog, behalve de kat pesten? Waarom mag ik hem niet bellen? Waarom blijven wij elkaar op zijn uitdrukkelijke wens alsmaar met u aanspreken? Dat waren vragen die bij mij opkwamen. Al helemaal toen een aangekondigd cultureel uitje om vage redenen niet doorging. Dat weekend plaatste ik een kritisch stuk van Ramsey Nasr (schrijver en ‘dichter de vaderlands’) op mijn facebook-pagina en de hel brak los. Eerst stuurde hij vervelend commentaar, iets in de trant van: “Ze moesten de hele Nederlandse cultuur maar afschaffen.” Daarna bleek hij mij plotsklaps op facebook te hebben ‘ontvriend’ en ook alle andere mogelijkheden tot contact te hebben afgesneden. Hij maakte er dus met de botte bijl een eind aan. 

Later ontdekte ik via enkele van zijn facebook-vriendinnen, dat de man die mij zo interessant had geleken inderdaad meerdere gezichten had verenigd in één ziel. Die ziel was echter niet zuiver en oprecht zoals hij had doen voorkomen, maar vertroebeld en getormenteerd. Hij bleek een vaste relatie te hebben en er daarnaast nog meer vriendinnen op na te houden, die hij ook vergastte op grappige schrijfsels en mooie plaatjes.   

De laatste berichten die hij mij stuurde zaten vol haat en rechts-politieke clichés. Daarin had  hij het over “dat goedkoop scorende mannetje Nasr” en ik vroeg mij af of hij misschien jaloers was op knap ogende intellectuelen als Ramsey Nasr en Anil Ramdas. Van oesters eten is het nooit meer gekomen. De man bleek niet alleen ‘naughty’ te zijn, maar ook kwaad. Ik zie hem nu voor mij als een getormenteerde Jack Nickolson die honderd keer ‘haat’ typt over alle ‘Linksmenschen’ die niet bereid zijn met hem onder te duiken in de marmeren heilstaat van Sir Lawrence Alma-Tadema.

Anita Brus

Amsterdam, april 2012 

Monday, April 30, 2012

Bureaucratie en veel bling bling



Verslag van een verblijf in Guinea Ecuatorial

Het regent. In zijn huis staan overal flessen en emmers water. Hij is erg druk met al dat water. We zouden naar buiten kunnen gaan om te douchen onder de tropische regen, maar hij vangt de regen liever op in verschillende emmers. Daarvoor moet hij vroeg opstaan. Ondertussen zet hij een pan met water op het fornuis zodat we ons straks met warm water kunnen douchen. Mij geeft hij de instructie de blauwe emmer te gebruiken, en niet de rode. De rode is gevuld met regenwater en de blauwe met water uit de put. “Dat water is schoner en dus hygiënischer om je mee te wassen”, zegt hij. “Het water uit de rode emmer kan gebruikt worden om de wc mee door te spoelen.”
Een ‘douche’ in Guinea Ecuatorial houdt in dat je emmers water over je hoofd giet. Maar met één emmer ben je alles meteen kwijt. Daarom drijft er in de grote emmer altijd nog een kleinere versie, zodat je kleinere hoeveelheden over je heen kunt gieten. Water is hier dus geen vanzelfsprekendheid. Eerder een dagtaak. Er is nog veel meer geen vanzelfsprekendheid. Elektriciteit bijvoorbeeld. Als wij ’s avonds aankomen bij zijn huis is het steeds weer spannend. Brandt er licht? Nee, weer geen licht. Maar ook als het licht wel brandt kan het elk moment uitvallen. Zijn huis bevindt zich aan de rand van de hoofdstad Malabo op het eiland Bioko. Om het huis heen is het drabbig en rommelig, zoals overal hier in deze Afrikaanse stad. Openbare voorzieningen zijn er niet. Je arriveert niet met droge voeten. Ook niet met schone. Maar je mag, als je thuiskomt, blij zijn dat je niet in een van de talrijke diepe gaten gevallen bent die je hier overal aantreft in het wegdek. “Kijk naar de grond”, waarschuwt hij voortdurend, en als we zijn huis betreden wast hij mijn voeten. Met het water uit de blauwe emmer.

Hij is Juan Tomás Ávila Laurel, de enige kritische schrijver die nog in het land woont. De rest is gevlucht voor de dictatuur. Ik ontmoet hem in de laatste week van mijn verblijf in Guinea Ecuatorial. Hij schrijft over de corruptie, onvrijheid, nalatigheid in de gezondheidszorg, gebrek aan water en elektriciteit, en andere problemen die de bevolking heeft. Grote delen van de stad zijn ’s avonds aardedonker, hoewel het met het licht tegenwoordig iets beter lijkt te gaan. Vroeger dromden studerende scholieren samen onder de lampen van in aanbouw zijnde hotels, nu zie je ze met hun laptops in de buurt van Sofitel Hotel, het zenuwcentrum van de stad, en daarom de enige plek met een internet signaal. Ieder die ook maar iets betekent in dit olierijke land, of andere belangen heeft, tref je in Sofitel. L-3 Communications (een Amerikaans veiligheidsbedrijf gelieerd zijn aan de CIA) heeft er een vast kantoor, pal naast het zuurstok gekleurde paleis van de president. Ook Barack Obama wil er een vinger in de oliepap houden.

De president, Teodoro Obiang Nguema Mbasogo, heeft in elke stad een paleis. Zijn grootste paleis ligt in Bata, de belangrijkste stad in Río Muni, op het vaste land. Het bevindt zich achter de muren van een gigantisch door militairen bewaakt terrein. Een stad in een stad waar niemand mag komen. Langs de muren wonen de militairen met hun gezinnen. Huizen die te hoog waren werden met de grond gelijk gemaakt omdat ze het zicht van de president belemmerden. Om te weten hoe het er achter de muren uitziet moet je er overheen vliegen. Toevallig zit ik in het vliegtuig aan de goede kant bij het raam zodat ik de pastelkleurige, klassiek aandoende gebouwen van bovenaf goed kan zien. Het complex heeft iets van een taart, met zwembad en golfterrein, die het centrum vormt van een enorm landgoed.
Bata heeft een hoog Disneygehalte. Oude Spaanse koloniale gebouwen worden afgebroken en vervangen door absurde paleisachtige bouwwerken bekleed met badkamertegels. Veel glanzende muren met abstracte patronen. “Badkamerarchitectuur”, noemt mijn Amerikaanse begeleider het, volgens hem het resultaat van een foute opvatting van westerse voorbeelden. Je zou het ook gewoon ‘postmodern’ kunnen noemen, maar dan wel ‘Afrikaans postmodern’, met veel bling bling. In het centrum van Bata is er in dezelfde stijl een soort tuin aangelegd waarvan niemand weet waar die toe dient, want je mag er niet naar binnen. Nogal wat gebouwen zien er weliswaar blinkend uit, maar blijven lege omhulsels zonder doel. Faҫade achitectuur die alleen bedoeld lijkt om te imponeren.

Bling bling zit hier in alles. Je ziet niet alleen veel glans en spiegelglas in gebouwen, maar ook veel glimmende en glanzende kleding, en wegen die worden opgesierd met nutteloze markeringen en talrijke rotondes. In Evinayong, een stadje op ongeveer twee uur rijden van Bata, logeer ik bij een missionaris die ook computerprogrammeur is. Hij vertelt dat, als men zich al een computer kan veroorloven, die pas interessant wordt gevonden als er blitse programma’s op zitten. Of die programma’s het ook doen op de vaak verouderde computers doet er niet toe.

Ik vraag mij af of de bureaucratie en voorliefde voor stempels ook te maken heeft met de Afrikaanse behoefte aan glitter en glamour. In het bureau voor toerisme in Malabo, dat overigens een kaal kantoor blijkt, tref ik een gemoedelijk ogende functionaris omringd door hoge stapels papieren. Ik heb documenten nodig om te kunnen reizen en fotograferen. “Dat wordt heel moeilijk”, geeft hij mij te kennen: “want de ministers die moeten tekenen zijn er niet.” Die blijken op congres te zijn, elders in het land. Maar misschien, als ik heel erg mijn best doe. Hij verwijst mij naar de Tesorería General (staatskas) om de nodige papieren te halen. Als ik daarmee over een halve week terugkom kan hij kijken wat hij voor mij kan doen. Ondertussen leunt hij met een sigaret op zijn lippen gerieflijk achterover, wijzend op een vergeelde foto van zijn kinderen toen ze nog jong waren en al babbelend over voetbal.

De papieren die ik koop in het half ronde spiegelgebouw van de Tesorería zien er boeiend uit. Toch is het niet meer dan weliswaar chique, maar leeg briefpapier met bovenin een geprint wapen van de República de Guinea Ecuatorial. Daarbij krijg ik een soort waardebonnen die ‘timbre de estado’ heten, met daarop vermeld ‘betaling aan de staat’. Men geeft mij de instructie de brief te richten aan de ‘weledelgestrenge minister’, waarna deze met de waardebonnen kan worden ingeleverd bij Toerisme. Ik ga dus weer terug naar de man achter zijn bureau die op dat moment een nogal theatrale speech houdt tegenover zijn personeel. Na een tijdje mag ik binnenkomen en begint alles weer van voor af aan. Ik krijg opnieuw te horen hoe moeilijk het is om toestemming te krijgen, hoe het met zijn kinderen gaat die inmiddels volwassen zijn, en hoe geweldig het is dat het Nederlands elftal doordrong in de voetbalfinale. Toch bekijkt hij de door mij overhandigde papieren zorgvuldig, of doet in ieder geval alsof. Ze krijgen zijn goedkeuring en hij niet ze aan elkaar. “Het wachten is nu op de minister”, zegt hij. En ik moet over enkele dagen nog maar weer eens terugkomen. Zo gaat dat dus in een bureaucratische dictatuur. Het sleutelwoord is geduld. “Heb geduld”, adviseert men mij steeds als ik weer een of ander document nodig heb. De verlenging van mijn visum bijvoorbeeld. Ook daarvoor moet er een brief met stempels naar de minister. En dat gaat via de Policía Nacional, het politiebureau in een modern gebouw aan de rand van de stad waar de jungle begint. De brief kan ik dit keer laten schrijven. ‘Por una Guinea mejor’ staat er onder; voor een beter Guinea. Maar daarmee ben ik er nog niet. Dit keer is de betreffende minister ‘ziek’ en kan daarom niet tekenen. Ik probeer zonder omkoping voor elkaar te krijgen dat men mij de gevraagde verlenging geeft. Daarvoor leg ik diverse bezoeken af aan het politiebureau en uiteindelijk lukt het alleen met een diep decolleté. Maar zo gaat het alleen in Malabo. In Bata moet ik mijn visum opnieuw verlengen en daar helpt zelfs geen decolleté. Men stelt zich er eerder vijandig op. Er heerst een sfeer van ‘wij niet naar Europa, jullie niet hier’. Dat wordt mij ook letterlijk te verstaan gegeven en men weigert mij botweg te woord te staan. Eerder verkregen papieren worden gewoon ongeldig verklaard. Geen beginnen aan en ik besluit het visumprobleem daarom maar uit te stellen. Visa worden steeds voor vijftien dagen uitgegeven en mij resten nog tien dagen. Daarna zien we wel weer verder.

In het binnenland reis ik naar het natuurpark Monte Alén. Daar zouden gorilla’s zijn, maar de enige gorilla die ik te zien krijg is de gorilla afgebeeld op het shirt van de directeur van het park. Hij loopt ook een beetje als een gorilla. Voor echte gorilla’s en olifanten moet je diep de jungle in en dat is helaas niet mogelijk omdat de overnachtingsplekken daar in verval zijn. Er kunnen slechts korte tochten gemaakt worden die niet ver genoeg het oerwoud ingaan om de in mijn gids beloofde wilde dieren te zien. Die vluchten bovendien voor het helse kabaal van de weg die er wordt aangelegd door de alom in het land aanwezige Chinezen.

Hier in het afgelegen binnenland is de moraal losjes. In het dorp wil de eigenaresse van de bar haar man wel een nachtje aan mij uitlenen. Opdat ik me hier niet zo alleen zal voelen. Man in kwestie zit tegenover mij en hoort het gelaten aan, terwijl zij haar kind de borst geeft. Er wordt flink bier gedronken. Nogal wat mannen zijn half of helemaal dronken en de vrouwen gaan schaars gekleed. Borsten puilen zonder enige gêne uit de decolleté’s.

Op deze afgelegen plek kook ik zelf. Maar er is ook een kok die mij leert koken op zijn Afrikaans. Geen water en geen theedoek. Zo af en toe wordt er bestek afgeveegd aan een niet al te schone doek en ik maak de groenten schoon met mineraalwater. Tijdens het koken valt om de vijf minuten het licht uit. In deze omstandigheden voel ik mij erg onhandig, maar ik weet uiteindelijk toch nog iets acceptabels klaar te brouwen tussen de licht-uit-licht-aan intervallen door.

Terug in Bata is er in ieder geval weer meer licht. Toch besluit ik nog een ander avontuur aan te gaan. Ik reis naar Corisco, een eiland dat behoort tot Guinea, maar voor de kust ligt van Gabón. De vraag is hoe de oversteek te maken van het vaste land naar dit eiland, en hoe er uit handen te blijven van de militairen. Ik draag een aanbevelingsbrief bij mij van de Spaanse consul en een brief van een van de directeuren van Somagec, een Marokkaans bedrijf dat op dit eiland een vliegveld aanlegt. Zij kunnen mij vervoeren per boot. Ik kan echter mee met een Spaanse groep die een cayuco (soort grote kano) heeft gehuurd en kom drijfnat aan.

De Marokkanen van Somagec zijn op het eiland de grote boosdoeners. Zij bouwen hier een buitenproportioneel vliegveld met een landingsbaan waarvoor de helft van het eiland moest worden gekapt. Hoewel dit Marokkaanse bedrijf de president helpt het eiland te verpesten, zijn hun werknemers erg aardig. Als ik met ze terugreis op een sleepboot naar het vaste land, hoor ik veel over de presidentiële plannen. Samen met de koning van Marokko wil Obiang hier een paleis bouwen. Het enorme vliegveld zou alleen voor henzelf bestemd zijn. Om indruk te maken op Gabón, wordt mij verteld. Protserig gedrag op hoog niveau. Ook hier schijnt olie te zitten en het gaat er om wie daar aanspraak op kan maken. De grens tussen Gabón en Guinea Ecuatorial is nooit definitief vastgesteld, en puur machtsvertoon moet laten zien wie de baas is over het eiland. De president heeft om dit grensconflict te beslechten een advocaat uit Washington laten overvliegen. Ik spreek die advocaat een week later in Sofitel Hotel.

In Sofitel Hotel is het een komen en gaan van zakenlieden, al dan niet aan de CIA gelieerde Amerikanen en hoogwaardigheidsbekleders uit diverse Europese en Afrikaanse landen. Na mijn reis door de binnenlanden en naar Corisco denken de Amerikanen dat ik een spion ben van de Nederlandse geheime dienst. Want wie gaat er nu op vrijwillige basis naar een dictatuur als Guinea Ecuatorial?

In de buurt van een van de paleizen van de president worden we aangehouden door militairen. We bevinden ons in een gehuurde auto met chauffeur, en een van de inzittenden wil het paleis wel eens van dichtbij zien. Zo rijden we wellicht met te veel toeristische aspiraties langs de openstaande slagbomen. Dom, maar geen misdaad. De groep die ons tegenhoudt, waarvan enkelen met bier en slechts een enkeling in uniform, denkt daar echter anders over. We bevinden ons op het terrein van de president en hebben ‘een serieus probleem’. Het betekent paspoorten inleveren, dreiging en intimidatie. De Amerikaan kiest al snel voor de Amerikaanse oplossing en betaalt een absurd hoog bedrag om uit de val te raken. Ze laten ons gaan. Maar daarmee zijn we er nog niet: een eindje verderop staat een tweede groep die hetzelfde doet. Dit keer zijn ze allemaal in uniform en bewapend. De Amerikaan betaalt opnieuw.

Dit gebeurt in Moka, op het eiland waar de Bubi stam in de meerderheid is. De Bubi’s zijn aardig. Voor het paleis incident werden we heel vriendelijk ontvangen door een Bubi onderwijzer die ons enthousiast rondleidde in zijn school en vertelde over de Bubi cultuur. Toch werden we een moment later door de militairen ‘uitgekleed’. De grens tussen hemel en hel is hier flinterdun.

In Guinea Ecuatorial wonen meerdere etnische groepen. De belangrijkste zijn de Bubi’s en de Fang. Die groepen mengen zich nauwelijks en staan vaak wantrouwend tegenover elkaar. De Fang vormen de grootste groep en worden gezien als dominant. Zij zien de Bubi’s als nederig en laf. De eilanden Corisco en Annobón (het meest afgelegen eiland) hebben hun eigen stammen en een eigen taal. Het helpt de eenheid in het land niet bevorderen. Al helemaal niet omdat men in de eerste plaats voor zijn eigen familieclan zorgt.

De president en zijn familie behoort tot de Fang. Hij heeft een hele reeks kinderen, broers en zussen die hij tevreden moet stellen. Allen wonen in grote huizen of paleizen, soms ook in het buitenland. Het land is rijk door de olie en toch zijn de meeste bewoners er arm. Zij worden in het gareel gehouden door onderdrukking. Ik ben nog in het land als in de buurt van Malabo vier militairen worden geëxecuteerd, nadat ze voor een militair tribunaal zijn verschenen op verdenking van de beraming van een staatsgreep. Ik hoor dat hun lichamen zijn gedeponeerd in een massagraf zonder dat hun families afscheid hebben kunnen nemen.

Zenuwen als ik het land verlaat. Bij de paspoort controle bestudeert een nors kijkende douanebeambte nauwlettend alle verzamelde visa in mijn paspoort om tot de conclusie te komen dat mijn laatste visum een permanent visum zou zijn in plaats van een toeristenvisum, en dus niet geldig. Ik smeek hem mij te laten gaan. Uiteindelijk zet hij met tegenzin de stempel voor de uittocht. Ik snak ondertussen naar beschaving.     

Saturday, December 31, 2011

El doctor Fausto



No hay dioses en es este mundo (ni en el cielo, pero esa es mi opinión privada ;)) y los gobernantes de España tendrían que darse cuenta de que, con la política de negocios como con la política cultural, tienen un dictador como Mobuto, Gadafi y los demás de los dictadores entre sus filas. Y, ¿qué se hace con un dictador? Se puede negociar con el dictador y cerrar un pacto con él. Hay ejemplos de sobra en la historia, tantos reales como ficticios. Pueden elegir señores, rechazar o aprovechar. Ser un heroe o ser un Fausto. Ya hemos concluido que no somos heroes. ¿Nos queda siendo el Fausto? Esperemos que ni haya verdaderos diablos en este mundo.

Tuesday, December 27, 2011

No somos heroes


Hoy un hombre LOCO me llamaba la representante de Holanda "en ésta lucha por liberar a los que viven en las garras de Obiang". Demasiado honor, y en realidad... quién soy yo. También dijo que le hubiese gustado "saber que Holanda, que también se encuentra en éste mundo injusto (y en occidente...), criticase un poco más a la dictadura de Obiang." Qué complicado es el mundo. Y además es un mundo dividido. Se separa de todo; en distintas situaciones se dice cosas distintas y los países europeos en realidad no tienen mucho que ver el uno con el otro. Cada cual se preocupa por su propia 'ex colonia' y ni siquiera eso. Se preocupa por sus propios problemas sin preocuparse mucho por los de los demás. Si lo hacen, lo hacen para salvar el propio pellejo y el euro. Entonces se salva por su propio interés. No, amigos, no somos heroes. Para nada.

(imagen y texto inspirado por Ramón Esono Ebalé)

Saturday, December 24, 2011

Sunday, August 07, 2011

Sipopo Gbadolite


Desde una distancia y leyendo sobre Congo, veo Guinea Ecuatorial cada vez más como un país que muestra cierto patrón, un patrón repetido en más países africanos. No es tan raro que los líderes africanos se buscan en cumbres como el cumbre de junio, en Malabo. Ni es muy raro que para un cumbre así el jefe del estado hizo construir Sipopo. Cada presidente su propio Sipopo, o Gbadolite en el caso de Mobuto en sus últimos años como presidente de Zaïre, Congo. Seguimos otra vez a Mobuto como lo describe David van Reybrouck:

“Mobuto se hizo un hombre solitario, y cada día más melancólico. Parecío haber caido presa de un anhelo por excesos que marcan a los que ya no se dejan sorprender por la vida. En Europa compró montones de bienes de lujo; tenía unos doce castillos, residencias en los barrios de lujo en Bruselas y en otros lugares belgas. Tenía un apartamento de lujo de ocho cientos metros cuadrados en la Avenue Foch en París, un castillo en Savigny cerca de Lausanne, un palacio en Venecia, un chalet exhuberante en la Riviera francesa, un dominio con caballos de montar en el Algarve en Portugal, como una serie de hoteles en África Occidental y Sudáfrica, y un yate de lujo [suena familiar] en el río Congo. Pero lo más apabullante de todas sus casas fue sin duda Gbadolite. En su región natal dejo construir una ciudad en plena selva que tenía sus propios bancos, correos, un hospital bien equipado, un hotel muy moderno y una pista en la que podía aterrizar el Concorde. También construyeron una catedral con una cripta que tenía que funcionar como sepulcro de la familia, y un pueblo chino con pagodas y chinos importados. Y, la joya de todo eso fue su palacio de quince mil metros cuadrados. Tenía puertas de madera de caoba con una altura de siete metros, decorados con malaquita. Los paredes fueron cubiertos con marmol y seda. Había lucernas cristales, espejos venecianos, muebles estilo impero, y nunca fue suficiente. Había jacuzis, cuartos para masajes, una piscina y una peluquería. La señora Mobutu tenía una guardarropa de cincuenta metros de larga donde guardaba su ‘haute couture’ extenso de unos miles de creaciones. Los ninos tenían una discoteca y había un refugio antiatómico para toda la familia [etc. etc. etc.]”

Y, con referencia al BLING BLING; Mobuto dejo contruir una presa enorme, llamada ‘Inga II’, en el río Congo y muchos objetos de prestigo más:

“Todos esos objetos de prestigio tenían las mismas características; fueron construidos por empresas extranjeras, tenían las últimas novedades, y fueron entregados listos, pero nunca funcionaron bien. Las empresas francesas, italianas, americanas salieron en seguida después del pago, y por eso todo el ‘hightech’ mudaba de manos a los que no sabían cómo funcionaba y que nunca habían tenido la oportunidad para aprenderlo. La presa Inga II costó 478 millones de dolares, pero Zaïre (Congo) siguió siendo un país de cortes de electricidad.”

Y todo eso ya fue en los años sesenta, setenta, ochenta y noventa.

Anita Brus
7 de agosto de 2011

Un sujetador vacío


“En el puesto de Katana había un correos con un administrador nativo que un día dijo al belga que le visitaba: “Me han engañado”. Cuando el belga le preguntaba cómo, él le contó: “Pues, aquí tengo un catálogo de Au Bon Marché en Bruselas y mira esta foto (una foto de una chica guapa llevando un sujetador precioso). Lo he pedido y sabe lo que me han mandado? Un sujetador vacío.” Y le dijo después que había pensado que también iban a mandarle la chica, que el precio le resultaba poco en comparación con los gastos del dote para una mujer nativa.”

David van Reybrouck nos cuenta en su libro sobre la historia de Congo que, cuando Congo se independizó, los negros pensaban que iban a tener ‘boys’ blancos, y que todo el mundo podía elegir una mujer blanca, porque a las mujeres blancas las dividieran como los coches y otras cosas que dejaron atrás los blancos. Algunos visitaron los chalets de los blancos para pedir si podían ver su nueva propiedad, incluso la dueña de la casa.

A pesar de todo eso van Reybrouck pinta una imagen razonable. Los nativos no eran tontos, ni estúpidos, sólo les faltaba educación y experiencia para gobernar: “De repente tuvieron que jugar el juego de la democracia que nunca habían jugado. Una tarea imposible. Nadie de los nuevos líderes había vivido ni un día en una democracia. El ‘Congo Belgique’ nunca había conocido un parlamento, nunca habían tenido una cultura de una oposición institucionalizada, de deliberación, de la búsqueda al consenso, de aprender a vivir con compromisos. Todo fue decidido desde Bruselas y desacuerdos fueron disimulados para los nativos porque creían que afectaban el prestigio del colonizador.”

Dice que Congo tampoco era presa de la irracionalidad salvaje: “La miseria de los primeros cinco años de la independencia no era la consecuencia de un renacimiento barbarie o de una resurreción de algún primitivismo que hubieran oprimido durante los años coloniales. El caos era más el resultado de una lógica y menos de algo irrazonable, o mejor dicho: era una confrontación de las distintas lógicas. El presidente, el primer ministro, el ejército, los rebeldes, los belgas, el ONU, los rusos, los americanos: todos manejaban lógicas que eran comprendibles y consistentes de puertas adentro, pero que muchas veces resultaban ser irreconciables entre sí. Como en el teatro la tragedia de la historia no era un asunto de los razonables en contra de los irrazonables, de los buenos en contra de los malos, sino de personas que se juntaron mientras cada persona se pensaba buena y razonable. Los idealistas se opusieron a otros idealistas, pero cada idealismo demasiado fanático lleva a ceguera, ceguera de los buenos.”

Me parece una buena lección que todavía vale hoy en día.

Anita Brus
2 de agosto de 2011

Friday, July 29, 2011

Manos y genitales


“A la cantante guineoecuatoriana Fifi la Mirey la detenieron llevando genitales humanos”. A una mujer de Occidente que se piensa civilizada eso le suena surrealista y le parece que cuadra demasiado bueno con la imagen predispuesta que muchos blancos tienen de ‘esos negros salvajes’. Entonces, la mujer (blanca) y civilizada decide que no va a creer la historia sin más. Como no pudo creer la misma mujer lo que le contó un tonto en Corisco; que Obiang no sólo robara los genitales humanos, sino que incluso se los comiera. Decide que debe ser un mito, o por lo menos exagerado.

Un año después de haber estado en Malabo, en Bata, y lugares más en Guinea Ecuatorial, y después de una huelga de hambre de un escritor guineano, un amor perdido y por lo menos dos ganados más, ella encuentra un libro escrito por un belga que trata de la historia de la colonia belga que una vez fue llamada Etat Indépendent du Congo, y que ahora ya no es colonia sino una república independiente, llamada la República Democrática del Congo.

¿Qué tiene que ver esa historia de la República Democrática del Congo con Fifi la Mirey y Guinea Ecuatorial? Mucho, aunque todavía no sabemos todo por no haber terminado el libro de 680 páginas hasta el final. El escritor belga, David van Reybrouck, estaba buscando voces de la gente del pasado y las encontró. Esas voces de algunos hombres muy, pero muy viejos, le contaron sus experiencias a partir de la llegada de los primeros blancos en el siglo diecinueve. Es una historia terrible con todos los ingredientes de explotación y abuso que ya conocemos de la época de la colonización. La época peor fue la de la extracción del gaucho a comienzos del siglo veinte. Porque en el interior del país todavía no existía el negocio con dinero, el rey belga Leopoldo II decidió sacar el gaucho a través del comercio de trueque. Lo que cambiaron por el gaucho era la mano de obra de los negros; la mano que en unos casos tenían que dar literalmente. Si los obreros no entregaban suficiente gaucho, les castigaron en una forma muy cruel y les quitaron la mano. Los jefes blancos mandaron a sus subordinados negros para cobrar impuestos y gaucho de los que tenían que trabajar en la selva como un tipo de esclavos. A esos subordinados les dieron un fusil, y para que no usaran el fusil para la caza, ellos tenían que probar lo que habían hecho con las balas. Así se acostumbró a cortar la mano derecha de sus víctimas para llevarla como prueba de las municiones disparadas. Esas manos se las ahumaba encima del fuego de leña, como hoy en día todavía lo hacen con la carne para que no se pudriera. Era porque él que cobraba el gaucho y los impuestos veía a su amo sólo una vez por dos o tres semanas, y tenía que mostrar los miembros como pieces justificatives, o sea como ‘recibos’ por los gastos.

Historias así y aún más crueles eran pan de cada día en aquel entonces. Muestran la colaboración perfecta entre blancos y negros en el intercambio de sus crueldades. Desde este punto de vista sí se puede creer que Obiang come testículos como se los lleva la Fifi. Pero lo que también se aprende es que un comportamiento tan horrible no era inherente a una sola ‘raza’, sino que era el resultado de un régimen cruel de blancos y negros. Como las crueldades en África de hoy en día son el resultado de los régimenes crueles respaldados por blancos y negros.

Anita Brus
29 de julio de 2011

Tuesday, July 12, 2011

Don Quijote en Guinea


Sancho habla en dichos. Si hubiera sido holandés podría haber dicho: “Se come de dos diques” (los diques nos protegen en contra del agua). El mismo dicho en español sería: “Se pone una vela a Dios y otra al diablo”. El diccionaro también dice: “Chupar de dos tetas a la vez”. O se dice: “no se chupa de dos tetas a la vez”, y la pregunta sería que sí se pondría una vela a Dios y otra al diablo, o que sí se comería de dos diques. Yo diría que sí, aunque no es lo mismo poner velas y comer de los diques, aún menos si uno pone las velas a Dios y al diablo a la vez. De los diques se podría comer lo mejor de los dos lados. De un lado se tomaría frutas tropicales y del otro manzanas, peras, y fresas nórdicas. Nada en contra, al contrario; puede enriquecer la mente y enriquecer las culturas.

Lo único es que todo cambia cuando las frutas se hacen venenosas. Myriam Martínez Elcoro, la directora del CCEB, parece haber decidido no comer las frutas venenosas cuando llama Guinea Ecuatorial “un país muy intenso e interesante para trabajar”. ¿Aceptable? Sí, nadie quiere morir. Aunque tal vez sería lógico salir de un país así, donde no se puede nombrar las cosas por sus verdaderos nombres. Pese a que sabemos que no siempre es tan fácil. Tal vez ella piensa que la tierra ajena, con su ayuda, podría cambiar en un verdadero paraíso.

Pero, ¿cómo señora Martínez Elcoro? Cuando el diablo se involucra, ya no se come las manzanas del paraíso, o ¿sí? Tal vez sí. Y, ella se deja envenenar. O, simplemente hace como si el veneno no existiera. ¡Pero existe! Tal vez ella también lo roconoce, pero decide callarse. Decide poner una vela a Dios y otra al diablo y comer de dos diques. Y, ¿que hacen todos sus amigos directores y los otros amigos de los Centros Culturales en Bata y en Malabo? Parece que ellos se callan también. No del veneno sino de los amigos callados. Y, ¿eso ayuda al fin y al cabo para eliminar el veneno? No creo. ¡Todos tendrían que abrir la boca! Don Quijote no se quedó con los dichos de Sancho y luchó, sea en contra de un rebaño de ovejas. Pero, por lo menos no se calló, ni lo hizo Sancho.

Anita Brus
12 de julio de 2011

Sunday, June 19, 2011

Laura Álvarez -España en clave de crisis


El 19 de junio hubo una tertulia con la arquitecta Laura Álvarez. Nos habló de la arquitectura española ‘en clave de crisis’. Fue una revelación. Ya sabía que las causas de la crisis española tenían sus raíces en el mundo de la construcción, pero ella nos reveló mucho más. Por ejemplo que en los últimos años han ocupado ¾ más del suelo español que en toda la historia a partir de los romanos. Y, ¡hoy en día cada una hora construyen unos dos campos de fútbol, mientras se quedan 3000.000 viviendas vacías! Esa fue su introducción. Después ella nos contó de los momentos de la crisis en la historia española arquitectural entorno del credo, del feudalismo, del franquismo, y de las naciones. Pasaron monjas y catedrales, Alfonso X el Sabio, la arquitectura cargada del barroco y planes de Carlos III, hasta Jovellanos y Franco. Pero lo que me gustó aún más fue como terminó su charla sobre la situación de hoy en día. La locura de la crisis de este momento según ella tiene su origen en lo que ya dijeron bajo Franco: “Hagamos un país de propietarios y no de proletarios”. Todavía en nuestros tiempos todos quieren la propiedad. ¡En España quieren comprar a toda costa! Esto ha estimulado el boom de la construcción. Ese boom no correponde con la demanda. Los bancos daban préstamos a todo el mundo y eso llevó a un crecimiento artificial sin planificación, a edificios vacíos, y a una deuda enorme. Y ahora la pregunta es: ¿qué hacemos con todos los edificios vacíos? También habló de la corrupción española. Según ella en España no separan la comunidad de sus propios intereses. Y, cada gobierno quiere mostrar su poder por una inauguración de un edificio pomposo más. Lleva a una arquitectura de fachadas (¿de qué otro país conocemos ese tipo de arquitectura? ¡jejejejeje!) Terminó con decir que España piensa ser europeo, pero todavía no lo es en ningún sentido. Después de su charla hablamos de la mentalidad española, de buscar la responsabilidad fuera de si mismo. Incluso la juventud del 15 de mayo no lleva soluciones, y ni lo hace el gobierno sin alguna forma de control a lo que cobra la gente por el paro. Pero, eso ya no se trata de la arquitectura.

Anita Brus
Amsterdam, 19 de junio de 2011

PD Nota de Laura: Los datos son de lo que pasó de 1987 a 2000 y la superproducción de vivienda ocurrió en el 2005

Monday, June 13, 2011

¡Mantequilla en la cabeza!



Es una expresión holandesa. Alguien tiene mantequilla en la cabeza cuando le pesa su mala conciencia. O, cuando juzca a los otros y no a si mismo. ¿Tengo mantequilla en la cabeza? Tal vez. Estuve en Guinea Ecuatorial, disfrutando de lo que me ofrecieron allí, aunque no tenían mucho que ofrecer. En Guinea no existe el turismo. Venden guias en el extranjero lleno de mentiras. Ni siquiera quieren el turismo. Ya tienen suficiente dinero ganado por los negocios con el petróleo, y el resto no les importa un pito. No hay cines, ni museos, ni una vida cultural organizado por los guineanos. Uno de los lugares más civilizados en Guinea es el Centro Cultural de España en Malabo donde ofrecen una buena comida, cursos de literatura y lengua gratis; todo en un ambiente muy agradable. Entonces yo disfruté de lo que critico, porque he criticado y sigo criticando los Centros Culturales. ¿Mantequilla en la cabeza? Tal vez. Pero por lo menos no me quedé callada. Ni aquí, ni allí. Hablé de todo lo que había visto durante mi estancia en el país. Les conté a todos que querían saberlo lo que me había ocurrido en Corisco y en Moka. Mostré las fotos de la isla destruída y hablé de lo que me había contado la gente allí. Me acuerdo muy bien al padre con su hijo en Corisco que tenía una casa justo al lado de esa pista monstruosa de Obiang. Todavía veo a ellos, tristes, desesperados, porque les habían robado media isla. Y, mostré las fotos que saqué allí (y lo hago otra vez). Hablé de todo eso cuando difruté del lujo del Centro Cultural de España. Pero, no todos querían saberlo. Había gente que se alejó de esa extraña mujer holandesa. ¡Qué hacía ella allí!? ¿De qué hablaba? ¡Mejor que se callara! Eso es lo que leí en las caras de algunas personas y nunca he entendido cómo podían concordar las cosas irreconciliables. Aún menos después de la huelga de hambre de uno de sus compañeros. ¿Cómo puedes concordar el sufrimiento de uno de tus miembros con aceptar dinero de los culpables? ¿Cómo puedes trabajar en un país del que los gobernantes persiguen a uno de tus compañeros? ¿Cómo puedes callarte después de todo lo ocurrido? ¿Cómo puedes criticar al gobierno de tu país (España) por negociar el petróleo mientras tú negocias la cultura? Lo pregunto al director del Centro Cultural de España y a todos que siguen trabajando allí, sea con las mejores intenciones, como ayudar a la gente que no tiene nada si tú no les das algo. Bueno, les ayudas, pero si te callas de lo malo que les ocurre cada día, tienes mantequilla en la cabeza. Tal vez tiene algo que ver con la historia española. España no se comportó muy bien con su antigua colonia (¡ni lo hizo Holanda con sus colonias!) No dejó ninguna infraestructura a Guinea. Y, la historia franquista tal vez también tiene mucho que ver. Sabemos que después de la muerte de Franco España eligió el camino de callarse. Sea como sea, no deberíamos aceptar tener mantequilla en la cebeza. Tendríamos que contar todo lo que vimos y experimentamos en Guinea Ecuatorial. No sólo lo bueno sino también lo malo. Sólo así ayudamos al pueblo guineano y mantenemos la cabeza limpia.

Anita Brus
Amsterdam, 12 de junio de 2011