Sunday, September 27, 2015

Als we ooit naar de hemel gaan


  

Over de kunst van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge in Filmmuseum Eye, Amsterdam

Toen de Zuid-Afrikaanse beeldend kunstenaar William Kentridge (Johannesburg, 1955) in een interview gevraagd werd waarom hij binnen de Europese kunsttraditie werkt en weinig 'Afrikaanse esthetiek' laat zien in zijn werk, antwoordde hij: „Ik ben in de Europese kunstgeschiedenis geschoold. Hetzelfde geldt nu voor de meeste zwarte beeldende kunstenaars uit Zuid-Afrika. Klassieke verhalen zoals Goethes Faust geven houvast bij het maken van werk over hedendaagse morele vraagstukken. Daarnaast lopen Afrikaanse en Europese tradities meer in elkaar over dan je zou denken. Afrikaanse beeldhouwkunst is bijvoorbeeld beïnvloed door expressionistische houtsneden die de lutherse missionarissen meebrachten. En dan zijn die houtsneden weer beïnvloed door Afrikaanse maskers. Puurheid bestaat niet.”

Dat puurheid niet bestaat tonen de installaties van deze kunstenaar. Zijn installatie More Sweetly Play the Dance (tot 30 augustus te zien in Filmmuseum Eye, Amsterdam), laat een paneel van 45 meter lengte zien waarop een optocht wordt geprojecteerd van een wel heel gevarieerd gezelschap, uitgevoerd in een techniek die geanimeerde houtskooltekeningen combineert met gefilmde figuren, uit karton gesneden objecten, geluid en muziek. Tegen een achtergrond van bewegende luchten, gras en rommel - een landschap dat de mijnbouwwoestenij rond Johannesburg weerspiegelt - schuifelt een brassband voorbij die melancholische, Afrikaanse klanken blaast. Andere figuren die aan de optocht deelnemen tollen in de rondte, maken allerlei vreemde bewegingen of bewegen zich voort terwijl zij Romeinse koppen en koppen van mijnwerkers, palmen, een vlag, Chinese tekens, een vogelkooi, een typemachine en nog meer silhouetten van verschillende objecten met zich meedragen. Ook is er iemand die pamfletten rondstrooit, een ander zwaait met een vaandel en wordt gevolgd door op de muziek dansende skeletten.

Een 'dodendans' in tegenlicht gefilmd waardoor het ook lijkt op een schimmenspel. De
schimmen van de dood die dansen in Plato's grot. In die grot zitten mensen zodanig vastgeklonken dat zij maar een kant uit kunnen kijken, waardoor zij slechts schaduwen zien van de wereld die zich achter hen voltrekt in het licht van hetgeen volgens Plato de waarheid is. Om die waarheid te ontdekken moeten de gevangenen eerst worden bevrijd om naar het licht van de grotopening te worden gesleurd. Een gewelddadig idee dat volgens Kentridge aan alle revoluties en utopisch denken vooraf gaat: "Elke poging tot verlichting, iedere missie om mensen te redden, al onze beste intenties gaan zo gebukt onder het gewicht van wat daarop volgt: hun schaduw, het geweld dat met de verlichting gepaard is gegaan." Uit de mythe van Plato komt volgens hem zowel de verlichting en hulp aan Afrika voort als het meest gruwelijke geweld en kolonialisme.

De vaandeldragers in de optocht verwijzen naar revoluties en utopisch denken, evenals de titel van de tentoonstelling in Eye 'If We Ever Get to Heaven'. Door de geschiedenis heen offerden hele hordes zich op 'to get to heaven', om anderen in dit idee met zich mee te sleuren. Kentridge laat ze aan ons voorbij trekken als een vrolijke fanfare in een processie die hij associeert met religieuze optochten waarin heiligen worden meegedragen, maar ook met de optochten van vluchtelingen die hun hele hebben en houwen met zich meetorsen. Dat associatieve denken kenmerkt hem en maakt dat hij zich zowel laat inspireren door de zuil van Trajanus in Rome (als je de reliëfs van die zuil uit zou rollen krijg je ook een processie) als door de middeleeuwse verbeelding van de dodendans, of door Chinese mijnwerkers en de politieke situatie in Zuid-Afrika.

Toch staat die politieke situatie in Zuid-Afrika of elders in de wereld nooit voorop in zijn werk. "Ik heb nooit geprobeerd illustraties van de apartheid te maken, maar de tekeningen en films komen zeker voort uit en worden gevoed door de sporen van een meedogenloze samenleving", zegt Kentridge. Hij voegt er aan toe dat zijn werk gaat over de imperfectie van de mens en tegenstrijdigheden in de politiek. Maar misschien komen in de politiek ook verschillende werelden bij elkaar en zijn de schaduwen een weergave van een diepere werkelijkheid dan die van het oppervlakkige en gedetailleerde alledaagse.      

Dit artikel is in het Spaans verschenen in Revistart www.revistart.es

Friday, July 18, 2014

Afrikaanse jokers; over de kunst van Yinka Shonibare en Ramón Esono Ebalé


Toen ik voor het eerst in Afrika was, raakte ik gefascineerd door de kleurige motieven van de ‘typisch Afrikaanse’ stoffen. Als aandenken aan Guinea Ecuatorial had ik het liefst zo’n felblauwe stof, versierd met hoofden van president Obiang mee naar huis genomen, maar die is alleen te koop in verkiezingstijd. Later zag ik de Afrikaanse stoffen terug in de kunstwerken van de Engels-Nigeriaanse kunstenaar Yinka Shonibare en in de portretten van Ramón Esono Ebalé, een striptekenaar uit Guinea Ecuatorial. Waarom gebruiken deze twee kunstenaars die stoffen in hun werk en is er nog meer wat hen bindt.

Yinka Shonibare

Beeldend kunstenaar Yinka Shonibare studeerde nog aan de kunstacademie, toen een docent hem vroeg: “You are African, aren’t you? Why don’t you make authentic African art?” Shonibare vroeg zich af wat er met authenticiteit en Afrikaanse kunst bedoeld werd: “I tried to figure out what he meant by authentic African art. I didn’t know how to be authentic. What would I do if I was being authentic? I realized what I’d really have to deal with was the construction of stereotypes, and that’s what my work would be about [1].

Yinka Shonibare (1962) is een Engelse kunstenaar van Nigeriaanse afkomst. Hij werd in Londen geboren en bracht zijn jeugd door in Lagos om vervolgens met zijn ouders naar Londen terug te keren, waar hij een kunstopleiding volgde. Daarna werd hij internationaal bekend, nam in 2002 deel aan de Documenta XI in Kassel en exposeerde zijn werk in diverse westerse musea. 

In het interview in de New York Times en in andere interviews vertelt Shonibare dat hij op zoek ging naar het ‘authentiek Afrikaanse’ en tot zijn verbazing ontdekte dat de stoffen die op de Londense Brixton markt voor Afrikaans doorgaan dat helemaal niet zijn. Het gaat hier om de zogenaamde Dutch Wax, stoffen die oorspronkelijk in Indonesische batiktechnieken werden uitgevoerd en die nu in Nederlandse fabrieken met Afrikaanse patronen bedrukt worden. Vervolgens worden ze naar Afrika geëxporteerd, waar men ze als ‘typisch Afrikaans’ beschouwt. De stoffen zijn dus niet wat ze lijken en Yinka Shonibare gebruikt dit idee als hij in 1994 een werk maakt met als titel Double Dutch. Dit werk omvat vijftig rechthoekige ‘schilderijtjes’ van identiek formaat, bekleed met ‘Afrikaanse’ stoffen die gedeeltelijk beschilderd zijn. De werken hangen geometrisch geordend op een rose achtergrond en roepen daardoor een associatie op met westerse, abstracte kunst. De stoffen tonen traditionele Afrikaanse motieven, terwijl Shonibare er door de beschildering ook zijn persoonlijke stempel op gedrukt heeft. Hij noemt dit werk Double Dutch, verwijzend naar het Nederlandse koloniale verleden en het huidige Nederlandse fabricatieproces van de ‘Afrikaanse’ stoffen. Zo wordt er een spel gespeeld met wat als authentiek Afrikaans wordt ervaren en met verschillende identiteiten.

 


 


 

 

 
 
 
 
 
 
 Double Dutch
 
 
 The Swing
 

Shonibare gebruikt de Dutch Wax stoffen ook in zijn driedimensionale werken (installaties en beeldhouwwerken) om er figuren mee aan te kleden die hij ontleent aan 18de eeuwse schilderijen. In The Swing (2001) is een levensgrote pop zonder hoofd te zien, die gekleed  in deze stoffen op een schommel zit. Haar linker been zwiept omhoog en haar muiltje vliegt de lucht in. Het tafereel is ontleend aan een schilderij van de 18de eeuwse, Franse schilder J. H. Fragonard [2]. Yinka Shonibare ziet de periode van de Rococo waarin men de ‘beau monde’ in paradijselijke omstandigheden weergeeft als voorbode van wat er komen gaat:
“I focus on the period that precedes the French Revolution. It was an era when nobility still lived luxiously, shortly before their world was turned upside down by the masses.”[3] Tijdens de Franse Revolutie rolden uiteindelijk de koppen van de adel en Shonibare verwijst hiernaar door de hoofden van zijn figuren weg te laten. Zijn installatie Garden of love (2007)[4] die wat betreft uitvoering en voorstelling op The Swing lijkt, noemt hij een metafoor voor de ‘Garden of Eden’. In de ogen van Afrikanen is dat Europa en zij komen hiernaar toe om geluk te zoeken tot er koppen gaan rollen.
 
Diary of a Victorian Dandy  
 
Dat Shonibare ook zelf deel uitmaakt van het ‘blanke paradijs’ laat hij zien in de fotoserie Diary of a Victorian Dandy (1998) [5] De serie omvat vijf gefotografeerde scenes, gebaseerd op A Rake’s Progress, een serie schilderijen van de 18de eeuwse, Engelse schilder W. Hogarth. De serie toont de teloorgang van een rijkeluiszoon die in Londen al zijn geld vergokt en aan lager wal raakt. Op de kleurenfoto’s van Shonibare zien wij echter geen langzaam aftakelende witte aristocraat, maar verschillende scenes die samen een dag verbeelden uit het leven van een zwarte, Victoriaanse dandy, omgeven door veel luxe en blanke bedienden. De kunstenaar is zelf het middelpunt van alle taferelen die verschillende tijden op een dag verbeelden. De zwarte dandy ligt in bed, vergezeld door blanke bedienden, speelt biljart, houdt kantoor neemt deel aan een gezelschapspel.

Ramón Esono Ebalé  

Striptekenaar Ramón Esono Ebale (1977), alias Jamón y Queso werd geboren te Nkoa-Nen Yebekuan in Guinea Ecuatorial en noemt zichzelf autodidact. Hij was als grafisch ontwerper verbonden aan het CCEM, het Cultureel Centrum van Spanje in de hoofdstad Malabo. In Guinea exposeerde hij in de Spaanse en Franse culturele centra, maar hij won ook Europese stripprijzen, deed mee aan straatprojecten en had exposities in Afrikaanse, Europese en Amerikaanse galeries.
 
 
Met hulp van het CCEM publiceerde Esono Ebalé stripverhalen met lege tekstballonnen omdat zijn teksten werden gecensureerd. Hij noemde die verhalen De Moordenaars van mijn intelligentie en verzon ook controversiële titels bij andere werken om zijn tekeningen kracht bij te zetten. Zijn stripverhalen ‘spreken’ echter ook voldoende zonder tekst. De beelden tonen de alledaagse werkelijkheid van Guinea, van mensen die zich door de modder voortslepen naar het stemlokaal om zo voor verandering te zorgen die nooit komt. Er is afval op straat, bij gebrek aan water doen vrouwen de was in de rivier, overal zijn er militairen en men kan alleen nog dromen van een betere toekomst. Het zijn gedetailleerde tekeningen in grauwe kleuren die de trieste omstandigheden benadrukken waarin men in Guinea leeft. De vrouwen in deze tekeningen dragen geen vrolijke ‘Afrikaanse stoffen’, maar gaan in rafelige lappen gekleed.
 
Behalve strips maakt Esono Ebalé ook politieke spotprenten die over de dictatuur van zijn land gaan. Daarin toont hij onder meer president Teodoro Obiang Ngeuma Mbasogo in de meest bizarre poses en gedaanten. Obiang badend in de olie met opborrelende testikels, in tangaslip of voorgesteld als baardaap met een erectie. Maar we zien hem ook gekleed in een jurk met vrolijke Afrikaanse motieven die zijn partij symboliseren, of met een grote strik om zijn lijf en een opwaaiende rok, zodat zijn geslachtsdeel te zien is waar omheen eveneens een strik gebonden is. Esono Ebalé overdrijft sterk en speelt met elementen die niet alleen associaties oproepen met Afrika, maar die ook Afrikaanse taboes raken rond homofilie en travestie. Een saillant feit daarbij is dat de president aan prostaatkanker lijdt. Door de nadruk op zijn geslachtsdeel te leggen, treft de kunstenaar hem op zijn zwakste plek.
 
Twee jokers
 
Ramón Esono Ebalé gebruikt Afrikaanse patronen om zijn strips en karikaturen te verduidelijken. Kuifje heeft nu eenmaal een duidelijke kuif en een Afrikaanse dictator draagt Afrikaanse motieven (hoewel het in Guinea vooral de vrouwen zijn die in deze opvallend bedrukte stoffen over straat gaan). Daarentegen roepen die stoffen in de werken van Yinka Shonibare eerder vragen op. Misschien verwijzen ze naar zijn eigen Afrikaanse afkomst of naar een Europees koloniaal verleden vanwege hun 18de eeuwse (koloniale) entourage en in Double Dutch is er eveneens een verband met abstracte kunst. Shonibare geeft met zijn werken commentaar op de westerse kunst en cultuur waar hij deel van uit maakt, hoewel hij er als Afrikaanse kunstenaar tegelijkertijd buiten staat en geen moreel standpunt inneemt (hij noemt zichzelf een estheet). Esono Ebalé doet dat wel. Op een niet mis te verstane wijze bekritiseert hij de dictatuur van zijn land. In zijn strips en karikaturen toont Esono Ebalé zich een maatschappijkriticus, terwijl Shonibare binnen het terrein van de beeldende kunst eerder een cultuurkriticus genoemd kan worden.
 
Toch zie ik een overeenkomst tussen de twee kunstenaars. Beiden zijn wat Jean Fisher in haar artikel, The Outsider Within over het werk van Shonibare tricksters noemt. Tricksters zijn een soort bedriegers in de zin van ‘jokers’[6]. Het begrip trickster verbindt Fisher met de Engelse schrijver Oscar Wilde, bij wie kunst een soort leugen is, omdat zij geen directe weergave van het dagelijks leven is. Kunst maakt gebruik van de fantasie en is daarmee niet waarheidsgetrouw en misschien zelfs in dubbel opzicht, want het ‘liegen’ heeft niet alleen met de kunst, maar ook met de kunstenaar als dandy te maken. De dandy doet zich namelijk altijd mooier voor dan hij is. Hij is een ‘trickster’, een joker die buiten de heersende cultuur staat die hij bekritiseert en bespot, maar waar hij tegelijkertijd deel van uit maakt. Fisher brengt deze functie van de dandy in verband met het carnaval dat de burgelijke waarden op zijn kop zet. Ook vewijst zij naar Eshu, de ‘trickster’ in de Nigeriaanse Yoruba cultuur. Hij houdt mensen voor de gek door zich in verschillende gedaanten voor te doen. Zijn speelterrein is het marktplein dat Fisher met het speelterrein van de kunst bij Yinka Shonibare vergelijkt. 
 
Shonibare speelt in zijn werk de dandy. Niet alleen in zijn fotoserie Diary of a Victorian Dandy, maar ook in andere fotoseries en in de carnavaleske films van gemaskerde bals die hij maakt.[7] Hij overdrijft situaties doet aan gedaanteverwisselingen, waardoor 18de en 19de  eeuwse burgelijke codes ter discussie worden gesteld. Shonibare doet dit door zichzelf op te werpen als zwarte dandy in het Victoriaanse tijdperk. En Esono Ebalé vestigt de aandacht op de geslachtsdelen van de dictator door deze tot ongekende proporties op te blazen. Net als Shonibare, zet hij overdrijving en humor in als wapen. Door hun humor en 'lawaai' verschaffen beide kunstenaars zich vrijheid ten aanzien van morele, sociale en economische waarden.[8] Zij vestigen zo de aandacht op cultuurhistorische (Shonibare) en maatschappelijke (Esono Ebalé) kwesties. Shonibare doorbreekt vooral culturele stereotypen, terwijl Esono Ebalé in zijn eentje een maatschappij omver lijkt te willen werpen.
 
Zijn Ramón Esono Ebalé en Yinka Shonibare beiden ‘tricksters’ of jokers? Esono Ebalé vergelijkt zichzelf met Batman als ik hem vraag of hij zichzelf ook als een joker ziet. Batman bestrijdt de misdaad, maar deelt ook steken uit. Hoewel beide kunstenaars op een stekende manier kritiek leveren, lijken de steken van Shonibare op fijne speldenprikken en die van Esono Ebalé eerder op dolksteken. Esono Ebalé kreeg zoveel last van de censuur dat hij zich in 2011 genoodzaakt zag uit te wijken naar Paraguay, waar hij tegenwoordig woont en zijn kritische werk voortzet. Zijn website Locos-TV wordt nu ook door Google als ‘aanstootgevend’ aangemerkt. Daarentegen maakt Shonibare in Engeland furore als gevierde kunstenaar. In 2004 werd hij door prins Charles onderscheiden en noemt zich sindsdien Yinka Shonibare MBE (Member of the Most Excelent Order of British Empire). De beide jokers treft dus een ander lot; terwijl Shonibare bij het koninklijk banket aanschuift, wordt Esono Ebalé steeds meer de mond gesnoerd. Geen van beiden houdt zich echter goed overeind als joker; in Afrika wordt de kritiek als zo gevaarlijk gezien dat die door de censuur wordt uitgebannen, terwijl de kritische kunstenaar in Engeland wordt gewaardeerd, maar keurig in de kunstwereld wordt opgesloten. 
 
Anita Brus, juli 2014


[1] J. Fisher, The Outsider Within: Shonibare’s Dandy and the Parasitic Economy of Exchange, in: Jinka Shonibare, Double Dress, The Israel Museum, Jerusalem, 2002.
[2] Un ballo in maschera (a masked ball), een film van Yinka Shonibare in 2004, te zien op zijn website: http://www.yinkashonibarembe.com
[3] “Humour can be a very special kind of weapon. It takes liberties with the moral, social and economic values of hegemonic authority; it knows the points of its greatest vulnerability, it flourishes where the authoritative voice stutters in its own uncertaintly [...]”,J.Fisher, The Outsider Within, zie noot 6.

[4] Dandy is een begrip dat vooral geassocieerd wordt met 19de eeuwse, Vicoriaanse gentlemen, die zich bekwaamden in elegant gedrag, waarbij bijzondere kleding hoorde. De schrijver Oscar Wilde was een beroemde dandy.


[5] Jean-Honoré Fragonard, De schommel, 1767.
[6] Bernard Müller, interview met Yinka Shonibare n.a.v. de expositie van Garden of Love in het Musée de quai Branly, 2007.
[7] Een installatie die Shonibare maakte voor zijn expostie in het Musée de quai Branly, in 2007

[8] Deborah Sontag, interview met Yinka Shonibare, Headless Bodies From a Bottomless Imagination, in de New York Times, 17 juni 2009.
 
 



 
 


Wednesday, July 16, 2014

Valenciaanse belevenissen 2


Ben er weer eens ingestonken. Liet mij een goed restaurant aanbevelen en betaalde voor het tafelkleed en de servetten. Niet doen! Loop in Spanje een willekeurig restaurant binnen waar veel Spanjaarden zitten en vraag het menu. Zo’n menu heeft drie gangen en is inclusief een hele fles rode wijn en koffie. Hier in dit eenvoudige plattelandsrestaurant geen chique obers maar een alledaags geklede vrouw die van hot naar her rent en toch alle aandacht heeft voor de bestelling. Ze noemt minstens vijf mogelijkheden op waaruit ik kan kiezen bij het voor- en hoofdgerecht, met ook nog eens een keuze uit vier soorten taart na. Helemaal vol en halfdronken verlaat ik het etablissement in plaats van honger lijdend gisteren in wat mij als goed was aanbevolen, met slechts wat liflafjes op asymmetrische schaaltjes a la Het Diner van Herman Koch. Ik zie nog het bodempje wijn voor mij dat ik mij liet inschenken voor vier euro extra en de cortado die daar nog eens bovenop kwam. Doe maar gewoon symmetrisch toch, al helemaal wanneer het voor de helft van de prijs is.

Sinds ik Dimitri Verhulst lees drink ik bovendien wijn tegen de klippen op. In De Helaasheid Der Dingen is een dag niet gezopen een dag niet geleefd. In het afgelegen ‘Poble-nog-wat’ zit de wijn in een medicinale fles met een kurk er op. Zware wijn van deze streek die nu amper meer wijn levert want men is van druiven overgegaan naar sinaasappelen. Men heeft tegenwoordig liever lichte wijnen heb ik mij laten vertellen, waardoor de wijngaarden niet meer lucratief zijn. Het landschap kleurt nu donkergroen van het dichte loof van de sinaasappelbomen. De sinaasappelen zijn nog niet rijp en toch tref ik er een op mijn pad. Hij smaakt verrot zoet.

Thursday, July 10, 2014

Valenciaanse belevenissen 1

Spanje, klein dorp, niet ver van Valencia en ik kijk terug. Inmiddels al zo veel meegemaakt. Ik schrijf dit alsof ik morgen zal sterven. Alsof er iemand meekijkt die dat weet. Ondertussen denk ik aan alle gemaakte reizen, maar vooral aan dat prille begin. Was het in 1993 toen ik de eerste dag en eerste keer alleen op vakantie al beroofd werd in Madrid? En was dat niet het begin geweest van alle reizen, schrijverij en geïllustreerde reisverslagen. Ook het begin van eindeloos wandelen en verdwalen op afgelegen bergen met oranje kikkers niet ver van Boquete waar nu twee blondines verscheurd zijn teruggevonden in het oerwoud. Ik had met gemak een van die blondines kunnen zijn. Een slagje ouder maar evengoed de weg kwijt en aan stukken gereten. Op mijn pad was echter altijd wel een indiaan in de buurt om mij te redden. Mijn moeder vertelde ik dit nooit.

Ondertussen heb ik mijzelf ouder zien worden, mijn lichaam zien veranderen, mijn haar zien uitvallen en weer zien terugkomen. En nu zit ik hier in dit plattelandsrestaurant met koude rode wijn aan een maaltijd van zeven euro vijftig. Alsof er niets veranderd is. Ik geniet, schrijf en studeer. Vanmorgen zat ik op een terrasje naast van die typische Spaanse dames van middelbare leeftijd met waaiers. Waren zij veranderd? Nagenoeg niet. Dezelfde achterovergekamde haren, alleen nu iets hipper gecoiffuurd en gestoken in ‘hybride’ kleding met een vleugje van vanalles wat men tegenwoordig fabriceert. Jurken met vrolijke bloemmotieven en oosters aandoende bovenstukjes met veel glitter. Een sigaartje in de vingers met blauw gelakte nagels, want de tijd is ook hier niet helemaal stil blijven staan. Inmiddels is er op rijafstand een metroverbinding met Valencia.

Ik lees De Helaasheid Der Dingen van Dimitri Verhulst en daar kan niemand ooit meer tegenop: “Onze Potrel liet het vrouwmens binnen en zag geamuseerd vanachter haar rug hoe ook onze Herman al bezig was zijn blik tussen haar benen te wringen.” Op het pad naar de rivier kom ik twee oude mannetjes tegen met een buitengewone interesse in mij. Elk wijken ze naar een kant van de weg om mij tussen hen door te laten wandelen. Omdat ik toch wat aarzelend loop roept een van hen mij na met een advies over de richting (naar de rivier) en met de vraag of ik Marokkaanse ben. Marokkaanse? “Ja, vanwege je bruine huid.” Onzin, ben niet uitzonderlijk bruin en bovendien blond. Aandachttrekkerij dus en ik zeg dat ik Nederlandse ben met de gedachte dat er wel een reactie zal volgen over ons dan nog aan de winnende hand zijnde voetbalteam, maar die reactie blijft uit. Ondertussen begluren de mannen mij met ‘een blik die zich tussen mijn benen wringt’. Het is op het randje als een van hen mij vraagt of ik in bikini of badpak ga zwemmen. Ik maak mij nog net niet snel uit de voeten als ik richting de rivier ga waar ik mij aan de oever vlei met Dimitri Verhulst: “De rok was alleszins kort genoeg, verlossing moet mogelijk zijn.”

Monday, April 21, 2014

Niet gepubliceerd


La Cueva: de ‘grot’ waarin een groep Colombiaanse schrijvers zich dagelijks in naam van de literatuur bezatte


Over de groep schrijvers, onder wie Gabriel García Márquez, die elkaar in de jaren vijftig ontmoetten in de cafés van Barranquilla (Colombia), en hoe deze groep voortleeft in de plaatselijke culturele elite.


Elk jaar is er in Barranquilla, de Colombiaanse stad waar Gabriel García Márquez rond de jaren vijftig verbleef, een Carnaval de las Artes (carnaval van de kunsten) voorafgaand aan het echte carnaval in die stad. Dit festijn, waaraan zowel Latijns-Amerikaanse als Europese schrijvers, acteurs en musici deelnemen, wordt georganiseerd door Heriberto Fiorillo die de spil vormt van de culturele elite van de stad. Hij is tevens de directeur van La Fundación de La Cueva, een culturele stichting die haar naam ontleent aan La Cueva (de grot), de bar waar ruim een halve eeuw geleden een groep Colombiaanse schrijvers vertier zocht, onder wie García Márquez. La Cueva bestaat nog steeds, maar is nu behalve een bar ook een museum. Heriberto Fiorillo speelt met zijn Carnaval de Las Artes in op de faam van de schrijversgroep die destijds la Cueva bezocht, en hij schreef er zelfs een boek over.1 Wie waren die schrijvers precies, en welk verband bestaat er tussen hen en de groep rond Fiorillo die tegenwoordig het culturele klimaat in Barranquilla bepaalt?

In 2009 was ik als tolk van Sylvia Kristel in Barranquilla. Zij was destijds door Fiorillo en zijn La Fundación de La Cueva uitgenodigd om als ‘levende legende’ het Carnaval de las Artes luister bij te zetten. Er volgden interviews met kranten waaronder ‘El Tiempo’ en ‘El Heraldo’ (de krant waarin García Márquez ooit zijn columns schreef), en we toerden door een carnavalesk Barranquilla, door straten die ons deden denken aan Los Angeles.

García Márquez schrijft in zijn autobiografie dat er in Barranquilla altijd al een progressieve sfeer heerste in vergelijking tot het binnenland dat de oude koloniale tradities cultiveerde.2 Met zijn haven groeide Barranquilla uit tot eerste cosmopolitische stad van Colombia. Alles kwam hier als eerste; de eerste auto, het eerste vliegtuig, de eerste spoorweg, de stoomscheepvaart over de rivier de Magdalena, en niet te vergeten de eerste immigranten. Zij meerden aan bij de pier van Puerto Colombia, ooit de langste pier van Latijns-Amerika, en namen van daaruit de trein naar het nabijgelegen Barranquilla. Al in de jaren vijftig dronken ze er behalve Caribische rum en Colombiaans bier ook Schotse whisky en Franse wijnen. Schrijvers en journalisten lazen hier romans van Kafka, Sartre, Camus, Hemingway en Faulkner.     

Die cosmopolitische sfeer was er ook nog toen wij er waren. Wij bezochten de Country Club, beautysalons en modehuizen, gingen ’s avonds eten in een Libanees restaurant. We waanden ons eerder in de VS dan in Colombia, ware het niet dat vrouwen hier eerder golden als sierlijke omlijsting van macho mannen als Heriberto Fiorillo. Hij kwam ons een enkele keer bezoeken in ons hotel, maar als hij zich eenmaal liet zien met zijn in tropische hemden ‘a la García Márquez’ gestoken corpulente figuur, sprong iedereen voor hem opzij.

Kristel mocht dat jaar als vedette op het podium plaatsnemen in een rotan Emmanuelle stoel, te midden van een zee aan tropische planten terwijl zij werd aangekondigd door een presentatrice gehuld in een cat suit met diep uitgesneden decolleté.

Vrouwen maakten geen deel uit van de groep schrijvers waartoe García Márquez behoorde en die elkaar aan het eind van de jaren veertig in diverse cafés ontmoetten. Iemand noemde hen “een groep onvolwassen mannen die zich dagelijks in naam van de literatuur bezatten”. Zelf omschreven zij zich als “de groep van de rum, conversatie, kunst, journalistiek en literatuur”. Er waren geen vaste bijeenkomsten en er bestond geen vooropgezet plan. Het waren vrienden die zich verzamelden rond de voor Franco gevluchte Catalaanse schrijver Ramón Vinyes, die in Barranquilla veel aanzien genoot. Tot de vaste kern van deze vriendengroep behoorden Germán Vargas, Alfonso Fuenmayor, Álvaro Cepeda Samudio en Gabriel García Márquez; allen schrijvers en journalisten. In hun dagelijkse ontmoetingen spraken zij over vrouwen, het leven en de dood, zonder al te veel literaire pretenties, maar altijd wars van het provincialisme waarvan ze de cachacos (de schrijvers in het koude binnenland) beschuldigden.

Maar het ging hen uiteiendelijk om de onderlinge vriendschap. Gabriel García Márquez heette liefkozend Gabo of Gabito, en ook tegenwoordig noemt men hem in Barranquilla nog bij zijn koosnaam als de schrijver ter sprake komt. Hijzelf beweerde ooit dat hij alleen maar schreef opdat zijn vrienden uit Barranquilla van hem zouden houden.

Er gebeurt in Barranquilla veel onder het mom van vriendschap. Contracten sluit men alleen af als je er nadrukkelijk om vraagt. Dat heeft helaas vaak tot gevolg dat medewerkers naar hun geld kunnen fluiten. Nalatigheid lijkt hier de keerzijde te zijn van vriendschap, maar de surrealistische setting maakt veel goed. De schrijvers en artiesten treden tijdens het Carnaval de Las Artes op in een entourage van carnavaleske figuren en krijgen na afloop een masker van papier maché. Kristel kreeg na haar optreden een tijgerkop en daarna bezochten wij La Cueva.      

De bar in La Cueva staat nog op dezelfde plek als vroeger, maar de muurschildering erboven van de Colombiaanse schilder Alejandro Obregón is verdwenen, evenals hoofden en huiden van wilde dieren, ooit jachttrofeeën. Aan het begin van de jaren vijftig was het een winkel waar jagers en vissers kwamen, tot een groepje schrijvers en kunstenaars de toonbank met goedkeuring van de eigenaar verbouwde tot bar, en er in 1954 “La Cueva, ontmoetingsplaats voor jagers en intellectuelen” van maakte. Aanvankelijk hadden de jagers, kunstenaars, schrijvers en journalisten er hun eigen plek, maar gaandeweg mengden zij zich en bedacht de eigenaar van het etablissement de passende slogan rico rato sin libros ni patos (heerlijk ogenblik zonder boeken noch eenden).

Toen wij er waren was er naast de bar een dansruimte waar een orkestje optrad tegen een wandschildering met tijgers en tropische planten. Er werd bij onze aanwezigheid wild gedanst en er was nog steeds geen boek of eend te bekennen. Wel hingen er portretten van Gabo en de zijnen, hoewel García Márquez er in de jaren vijftig nauwelijks kwam. Hij vertrok al in 1951 naar Cartagena om er voor de krant El Heraldo te gaan werken en iets later vertrok hij naar Bogotá.

Wij verbleven in een op het oog prachtig koloniaal hotel, maar de eigenaar bleek failliet en overal lekte de airconditioning. Voor Kristel was echter een suite ingericht met pauwveren, fruit en maskers. En de culturele elite nam het er van in de schaduw van de illustere voorgangers. Elke avond deden wij ons tegoed aan cocktails in La Cueva, samen met Heriberto Fiorillo en de andere gasten van het Carnaval de Las Artes. Gabo was er echter ook toen al in geen jaren meer geweest. La Cueva drijft op zijn faam en de herinnering.   

Anita Brus



1 Heriberto Fiorillo, La Cueva, crónica del Grupo de Barranquilla, Ediciones La Cueva 2006
2 García Márquez, Vivir para contarla, voor het eerst uitgegeven in 2002

Niet gewonnen

In de schaduw van bling bling
Anita Brus
Het regent. In zijn huis staan overal flessen en emmers water. Hij is erg druk met al dat water. We zouden naar buiten kunnen gaan om te douchen onder de tropische regen, maar hij vangt de regen liever op in verschillende emmers. Daarvoor moet hij vroeg opstaan. Ondertussen zet hij een pan met water op het fornuis zodat we ons straks met warm water kunnen douchen. Mij geeft hij de instructie de blauwe emmer te gebruiken en niet de rode. De rode is gevuld met regenwater en de blauwe met water uit de put. “Dat water is schoner en dus hygiënischer om je mee te wassen”, zegt hij. “Het water uit de rode emmer kan gebruikt worden om de wc mee door te spoelen.”
Een ‘douche’ in dit Afrikaanse land houdt in dat je emmers water over je hoofd giet. Maar met één emmer ben je alles meteen kwijt. Daarom drijft er in de grote emmer altijd nog een kleinere versie, zodat je kleinere hoeveelheden over je heen kunt gieten. Water is hier dus geen vanzelfsprekendheid. Eerder een dagtaak. Er is nog veel meer niet vanzelfsprekend. Elektriciteit bijvoorbeeld. Als wij ’s avonds aankomen bij zijn huis is het steeds weer spannend. Brandt er licht? Nee, weer geen licht. Maar ook als het licht wel brandt kan het elk moment uitvallen. Zijn huis bevindt zich aan de rand van de stad. Om het huis heen is het drabbig en rommelig. Openbare voorzieningen zijn er niet. Je arriveert niet met droge voeten. Ook niet met schone. Maar je mag, als je thuiskomt, blij zijn dat je niet in een van de talrijke diepe gaten gevallen bent die je hier overal aantreft in het wegdek. “Kijk naar de grond”, waarschuwt hij voortdurend en eenmaal thuis wast hij mijn voeten. Met het water uit de blauwe emmer.
Hij is de enige kritische schrijver die nog in het land woont. De anderen zijn gevlucht voor de dictatuur. Ik ontmoet hem in de laatste week van mijn verblijf in zijn land. Hij schrijft over de corruptie, onvrijheid, nalatigheid in de gezondheidszorg, gebrek aan water en elektriciteit, en andere problemen die de bevolking heeft. Grote delen van de stad zijn ’s avonds aardedonker, hoewel het met het licht tegenwoordig iets beter lijkt te gaan. Vroeger dromden studerende scholieren samen onder de lampen van in aanbouw zijnde hotels, nu zie je ze met hun laptops in de buurt van Sofitel Hotel, het zenuwcentrum van de stad en daarom de enige plek met een internet signaal. Hier tref je iedereen die in dit olierijke land iets betekent. De Amerikaanse CIA heeft er een vast kantoor, pal naast het zuurstok gekleurde paleis van de president.
De stad heeft een hoog Disneygehalte. Oude koloniale gebouwen worden afgebroken en vervangen door absurde paleisachtige bouwsels bekleed met tegels. Veel glanzende muren met abstracte patronen. “Badkamerarchitectuur”, noemt mijn Amerikaanse begeleider het, volgens hem het resultaat van een foute opvatting van westerse voorbeelden. Je zou het ook gewoon ‘postmodern’ kunnen noemen, maar dan wel ‘Afrikaans postmodern’, met veel bling bling. In het stadscentrum is in dezelfde stijl een stenen ‘tuin’ aangelegd waarvan niemand weet waar die toe dient. Lege omhulsels zonder doel. Faҫade achitectuur die alleen bedoeld lijkt om te imponeren evenals de vele stempels op papieren.
Binnenin is het leeg. In het kale kantoor van het bureau voor toerisme tref ik een gemoedelijk ogende functionaris omringd door hoge stapels papier. Ik heb documenten nodig om te kunnen reizen en fotograferen. “Dat wordt heel moeilijk”, zegt hij. “De ministers die moeten tekenen zijn er op dit moment niet.” Die blijken op congres elders in het land. Maar misschien, als ik heel erg mijn best doe en naar het gebouw van de staatskas ga om daar de nodige papieren te halen. Als ik dan over een halve week terugkom kan hij kijken wat hij voor mij kan doen. Ondertussen leunt hij gerieflijk achterover, wijzend op een vergeelde foto van zijn kinderen en al babbelend over zijn familieleven en over voetbal.
De papieren die ik koop in het half ronde spiegelgebouw van de staatskas zien er boeiend uit. Toch is het niet meer dan weliswaar chique, maar leeg briefpapier met rechts boven het wapen van de republiek. Op dit papier schrijf ik een brief aan de ‘weledelgestrenge minister’, voeg er de nodige bestempelde ‘waardebonnen’ aan toe en meld mij opnieuw bij Toerisme. Daar begint alles weer van voor af aan. De man vertelt mij vanachter zijn bureau met de stapels papier nog een keer hoe moeilijk het is om van de minister toestemming te krijgen, hoe het met zijn kinderen gaat en hoe geweldig het is dat het Nederlands elftal doordrong tot de voetbalfinale. Toch bekijkt hij mijn papieren zorgvuldig of doet alsof. Met een goedkeurende blik niet hij ze aan elkaar. Nu is het volgens hem alleen nog wachten op de minister. “Kom over enkele dagen maar weer eens terug”, voegt hij er aan toe. Ik heb nog vier weken.
Als ik de nodige documenten uiteindelijk toch heb vlieg ik over de grootste van de vele presidentiële paleizen. Van bovenaf zie ik de pastelkleurige, klassiek aandoende gebouwen. Het complex lijkt op een taart omgeven door gigantische golfterreinen. De president en al zijn echtgenotes baden in weelde terwijl de bevolking arm is en door hem wordt onderdrukt. Ik ben nog in het land als ik verneem dat er de vorige dag in de buurt van de hoofdstad vier militairen zijn geëxecuteerd zonder vorm van proces. Hun lichamen werden in een massagraf gedumpt en mijn schrijver huilt nu ook emmers water. Een maand later zou ook hij vluchten. 
Zenuwen heb ik als ik het land verlaat. Bij de paspoortcontrole op het vliegveld bestudeert een nors kijkende douanebeambte nauwlettend al mijn met moeite verzamelde visa om tot de conclusie te komen dat ze mij een permanent visum gaven waarmee ik hier zou moeten blijven. Ik smeek hem om mij te laten gaan, waarop hij met tegenzin het laatste vereiste stempel zet voor de uittocht.

Wednesday, January 22, 2014

Een beetje indiaan

Alweer ruim twee weken terug uit Kameroen slik ik mijn laatste malariapillen terwijl ik kijk naar een eerder gemiste aflevering van ‘O’Hanlons helden’ over Henry Alexander Wickham. Ademloos volg ik Redmond O’Hanlons verhaal over deze negentiende eeuwse ‘James Bond van de rubber’ die in Brazilië rubberzaden stal om er elders rijk mee te worden, maar die daar bijna bezweek aan malaria aanvallen. Destijds overleefde meer dan de helft niet van alle blanken die de jungle introkken en ik ben blij dat wij tegenwoordig goede medicijnen hebben waardoor ik weer gezond terug ben, al laat ik mij hier volgens Sunny Bergman te veel meeslepen door de reisverhalen van O’Hanlon.

“Ik heb een grote weerstand tegen het verheerlijken van de ‘grote ontdekkingsreizigers’, zijn fascinatie voor ‘koppensnellers’ en het gebruik van het woord inboorlingen”, schrijft documentairemaakster Sunny Bergman op haar Facebook-pagina. Hoewel zij er nog wel aan toevoegt dat hij het woord inboorlingen “to be fair” niet zelf gebruikt, beschuldigt zij O’Hanlon ervan dat “hij ‘de ander’ exotiseert in zijn benadering, in plaats van dat hij onderzoekt”. Vervolgens vraagt zij zich af hoe zij haar weerzin tegenover hem moet duiden in een interview dat zij nog met hem zal hebben.

Arrogantie van het christendom

Om na te gaan welke ‘weerzin’ zij tegenover O’Hanlon zou kunnen voelen bekijk ik nog een aantal afleveringen waarin ik hem met zijn koffer door de drek van menig tropisch regenwoud zie zeulen. Afleveringen die beginnen met de vermelding dat zijn vrienden beweren dat hij in de verkeerde eeuw is geboren, waar hij het zelf hartgrondig mee eens is.

Ik laat mij meevoeren door de meeslepende verhalen van ontdekkingsreizigers die hij voorleest en door de wijze waarop hij zich onderwerpt aan plaatselijke gebruiken. In de aflevering over de ‘rubberdief’ Wickham vraagt hij zich af waarom hij steeds weer eindigt in een donkere hut met een “walgelijk ontbloot bovenlijf”, om te constateren dat dit waarschijnlijk komt doordat hij als domineeszoon altijd al een grote weerstand had tegen de arrogantie waarmee het christendom de waarheid verkondigt en dat hij daardoor een zwak ontwikkelde voor wat hij de “do-it-yourself-priests” noemt.

Hallucinerend poeder

Ik vind het aandoenlijk om de oprechtheid te zien waarmee hij zich overgeeft aan sjamanen en moet ineens denken aan een fascinerend boek dat ik jaren geleden las over de Yanomami-indianen in het Amazonegebied. De auteur beschrijft hierin hoe hij zich onderwerpt aan een heftig ritueel waarbij hij zich door het Yanomami opperhoofd via een buis een hallucinerend poeder in beide neusgaten laat blazen waarna hij zo’n beetje knock-out gaat.

Maar wacht eens even, was de auteur van dat boek niet Redmond O’Hanlon? Ik zoek het op en vind het boek ‘Tussen Orinoco en Amazone’ dat inderdaad geschreven is door Redmond O’Hanlon en dat gaat over zijn reis door het gebied van de toen nog amper ontdekte Yanomami.

Exotische’ details

Beste Sunny, ik denk dat iemand die exotische oorden bezoekt en daar op een originele manier verslag van doet niet ook per se ‘exotiseert’. O’Hanlon geeft duidelijk aan dat hij zich in zijn programmareeks wil verplaatsen in zijn ‘helden’ die uiteraard anders dachten dan wij nu doen en waar je dan ook niet naar moet kijken vanuit de ideeën van onze tijd. De kracht van de serie is dat hij je meevoert in een andere tijd en een andere wereld, met daarbij nog het fenomenale oog van O’Hanlon voor de (voor mijn part) ‘exotische’ details.

In ‘Tussen Orinoco en Amazone’ schrijft hij bij zijn eerste ontmoeting met de Yanomami-indianen: “Toen ik ze van dichtbij bekeek zag ik dat ze overdekt waren met kleine bloedvlekjes: ze hadden zo te lijden gehad van kriebelmuggen dat op hun lichaam geen plekje meer over was voor een nieuwe beet.” Ik zie Redmond O’Hanlon voor mij, zelf ook helemaal vol muggenbeten en met zijn laarzen diep weggezakt in de modder. Een Engelsman die zodra hij met zijn koffertje (waarin waarschijnlijk ook wel malariapillen) het oerwoud instapt een beetje indiaan wordt. Of een 19de eeuwse ontdekkingsreiziger.

zie ook http://www.frontaalnaakt.nl/archives/een-beetje-indiaan.html