Saturday, May 19, 2007

Efraim en holandés


Ik dacht dat alleen de vissen op die manier bewogen

Ik werd geboren in een mooie kleine stinkende stad omgeven door steen. Een ansichtkaart die op tweehonderd kilometer afstand nóg stinkt naar stront. Wanneer je in de stront leeft merk je nauwelijks verschillen. Je raakt al snel gewend aan alle luchten die je vervolgens kwijtraakt, waarmee ook een zeker bewustzijn en een bepaalde waardigheid verdwijnt. Ik pleeg het oord ‘Bewegingloze Stad’ te noemen waarmee ik niet wil zeggen dat ik deze stad haat als ik langs de oevers van haar vervuilde zee loop, als ik tussen de toeristen loop die als reusachtige garnalen onder de zon liggen te bakken en als ik de horden verkopers en masseurs aan het schrikken maak, terwijl zij om kruimels vechten. Nooit was ik er gelukkig, wel had ik er goeie vrienden met wie ik ironie en dronkenschap deelde. Zoals elke stad kende ook deze een overschot aan dichters en een gebrek aan geile hoeren. Ik hield van dikke meiden en rolde van de ene over de andere, zonder dat te vinden wat een man moet weten voordat hij sterft. En daarna schakelde ik over naar slanke types, naar middelgrote en naar kleine, tot één van hen mijn hart brak. Het doet erg zeer wanneer men je hart breekt, het is dan alsof je ziel door je mond naar buiten wordt gerukt. Ik ging die stad toen meer haten, ik haatte haar steen voor steen en balkon na balkon. Ik kon het niet verdragen dat zij me haar kont toekeerde, zonder mij nog één laatste vibrerende nacht te gunnen. Om haar was ik afgedaald naar het kilste gekkenhuis, had ik zes maand in een een keurig kantoor gewerkt, had ik drie vrouwen de bons gegeven met mooiere borsten dan de hare, had ik me in de felste kleuren belachelijk gemaakt. Om haar had ik iemand van kant gemaakt. Maar dit alles telt niet als de kou via je gat naar binnen dringt om je zenuwen te bevriezen. Als de schaduw van een zieke hond dwaalde ik dagen aaneen rond in de bars van ‘Bewegingloze Stad’, tot ik tegen mezelf zei: “Dit kan ik niet aan. God, ik kan dit niet.” En ik kon het niet. Op een nacht propte ik al mijn spullen in een sjofele koffer en maakte ik me met de staart tussen de benen uit de voeten. Een paar dagen eerder had ik haar een brief geschreven.

Bewegingloze Stad, april, 1989
Eén keer rondtollen met de ogen dicht is genoeg om te verdwalen in andere dimensies. Jij hield niet van dat spelletje, ik moest je snel weer op de grond zetten. Ik veronderstel dat je je meer op je gemak voelde in onze huidige dimensie. Ooit vertelde ik je dat de zonen van het licht nog onbarmhartiger zijn, en nu zul je de gevolgen wel kennen van een leven waarin je bent overgeleverd aan anderen. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik je niet naar de hel wens, maar ik hoef helemaal niets meer te zeggen omdat onze liefde voorbij is en leegte geen ruimte laat voor bedrog.
Ik wedde met Marianne dat het je beter zou vergaan zonder mij en moet mijn verlies nu toegeven. Gelukkig was het niet om veel, hoewel zij…
Ik draai nog steeds met gesloten ogen rond, gehoorzamend aan de roep van het vuur, levend op het scherp van de snede, in de zekerheid dat niemand weet wat hij heeft tot hij het verliest (ik denk dat jij dit wel zult begrijpen).
Ik besef me dat we vroeg of laat allemaal afscheid moeten nemen. Dat is de reden waarom de bijen zoemen, de vogels zingen en dat maakt dat de vogels lachen. Ik weet dat Marianne gelijk had, dat ik je meteen had moeten laten gaan en dat ik mezelf niet voor de gek had moeten houden met valse liefdes en door steeds weer te vergeten. Ik had me moeten beseffen dat niets werkelijk kon groeien in jouw schaduw. En zo zie je maar dat ik niet die harde bikkel ben die ik dacht te zijn en…
Zoals je die middag zei, kun je maar beter liefkozingen ontvangen van idioten, want dat brengt minder risico met zich mee (tjongjongejonge). Goed, nu heb je de idioot waarvan je moeder droomde. En ik zal de café’s kort en klein blijven slaan, vrouwen van allerlei allooi blijven verleiden en blijven drinken tot ik er bij neerval. Ik zal de perfecte alibi blijven voor je echtgenoot en voor je moeder, zodat ze kunnen zeggen: zie je nou wel, die figuur zal altijd een mislukkeling blijven, een ongelikte beer zonder scrupules, een… (terwijl hij, je echtgenoot, zo schoon en bedeesd oogt). Ben ik je toch op zijn minst nog met iets van dienst.
Hij die zich in de duisternis begeeft is een onbekende, mijn pijn is anoniem. En als ik je ooit het beste van mezelf gegeven heb is dat omdat het beste tegelijkertijd het slechtste is: gaten in het hart, doorgedraaide nachten, geheime misdaden, onzichtbare zelfmoorden, holtes in de hersenen. Ik ga te ver mijn lief, ik wil je toch zeker niet verbranden? Ik die de vijand ben van deze groene planeet, de man van het vuur, je trouweloze geliefde. Ik ben de god die tekort schoot.
En dan te bedenken dat we samen zo veel zonsopgangen hebben gezien, dat we alles zo intens beleefden, dat ik tot ik je leerde kennen dacht dat alleen de vissen op die manier bewogen, dat onze tijd in de hel opschudding veroorzaakte… (ik vraag me af wat er mis is met een derderangs begrafenis als uiteindelijk toch alles tot stof vergaat). Ondanks alles kwam er iets schadelijks en ondefiniëerbaars op ons pad, maar daarover hebben we het maar liever niet. Misschien heeft deze hele slachting geen zin gehad omdat er uiteindelijk slechts water in jouw hoofd drong…

(de auto die op de binnenplaats staat slijt, de ratten verslinden zijn hart)

Midden op de dag kwam ik aan in Bogotá. Ik stapte uit de bus en liep richting een park. Ik had geen idee waar ik was, noch wat mijn volgende zet zou zijn. Ik was hier nooit eerder geweest en bij het zien van de bergen voelde ik me verloren. Op een bankje wachtte ik op de ingeving van een fantastisch idee, op iets wat me richting zou geven. Maar in plaats van een idee kwam er een oude man die me om geld vroeg en die erger stonk dan ‘Bewegingloze Stad’. “Je bent hier op de verkeerde plek”, zei ik tegen hem. De oude begon te lachen en me meteen ook te beledigen. Ik bleef rustig en bekeek het lichaam waar eens een menselijk wezen in gehuisd had. Zijn ogen hadden een mooie paarse kleur en hij had een krachtig breed voorhoofd waarin slechts kadavers van insecten achtergebleven waren. Hij sloofde zich uit zonder mij iets te doen en vertrok vervolgens om een ander voor rotte vis uit te maken. Daarna kwam er een jongen op me af die marihuana wilde verkopen en van wie ik het beetje kocht dat ik oprookte tot mijn gevoel van moeheid plaatsmaakte voor een wereld van erotische wellust waarin elke boomtak betekenis kreeg. In mijn versleten koffer droeg ik de fragmenten van een potentiële roman en in mij jaszak had ik genoeg geld voor drie dagen in een armoedig hotel. Een meisje rukte me los van de takken en vroeg me een trek van mijn sigaret. Zo werden we vrienden. Haar moeder verhuurde kamers. “Ik heb niet veel geld”, zei ik. “Er is een zolderkamer. Ik haal mijn moeder wel over voor een maand”, zei zij, terwijl ze met dromerige ogen een trek van haar sigaret nam. “Later zie je wel hoe je het redt.”

Het was een minimale zolderkamer, maar warm als de kont van een kip. Silvana (zo heette het meisje) en ik werden elkaars geliefden. Het is nog steeds een van de mooiste liefdes die ik ooit gehad heb! Elk nacht zonk ik weg in haar grijsbruine ogen en ik begrijp nog steeds niet waarom ze zich van kant heeft gemaakt, maar dat is een ander verhaal… Op de etage van die zolderkamer boog ik me elke nacht over mijn roman. Silvana had me een oude Olivetti geleend waarvan de letter G ontbrak. Ik was erg tevreden over de titel die ik mijn roman gaf: “Bijt je in niets vast dat je niet binnen 5 seconden weer los kunt laten”. Op een middag maakten we ruzie en schreef ik haar een brief om het weer goed te maken:

Bogotá, juni, 1989
Het is nog steeds middag. Een sterke maar vredige zon schijnt tussen de gebouwen door en vult de bladeren van de bomen met goud. Het is hier stil en misschien onrustig. Ik vermoed dat elke minuut onbedoeld een eigen verklaring heeft. Er stond een boodschap op het antwoordapparaat, maar geen spoor van uren en ruimte. Alleen jij kent de beweegredenen van je handelingen,voor mij blijft alleen de afstand over en de lege ruimte tussen twee oranje regels. Misschien moest je weg om bepaalde afspraken na te komen, maar ik schrik ervan als ik niets van je hoor. Ook ben ik bang dat we, als ik me al te zeer haast, in een soort doolhof terechtkomen. De klok tikt genadeloos verder, die klok kan het niet schelen. Je weet dat ik erg veel van je hou en misschien bel je op een bepaald moment toch. Dit alles is niet treurig als ik bedenk dat je zachte stem straks door de telefoon de moordende seconden zal wegvagen, zodat alles opnieuw kan beginnen. In het schijnsel van de koplampen van een willekeurige auto zijn de ogen van een haas als kleine verbaasde zonnetjes in de nacht. Ik weet niet hoe lang ik zal kunnen wachten want ook mijn tijd telt. Ik weet wel dat harten tollen en dat alles soms ingewikkelder wordt in het hoofd: dat het hoofd in staat is zijn eigen raadselen te creëren waarmee het alleen zichzelf kwelt. Ik adem en denk aan de valkuilen in de harde contouren van deze nacht. Ik adem en zie auto’s, overstekende mensen die allen proberen aan de overkant te komen maar die daar nooit allemaal in kunnen slagen. De wagons van de angst zijn overvol en ik weet niet in welke ik reis. Die middag, de gesprekken op het gras, dat geweldige gesprek, die onverwachte glimlach. Waarom kan niemand zich ooit voorstellen hoe het zou zijn? De middag dooft uit tegen mijn huid, hier in deze kleine zolderkamer die zonder jou slechts een gevangenis is, alleen maar een graf, een bedorven illusie. Op dat soort momenten walg ik ervan op mijn instinct af te gaan. Ik zou er wat betreft mezelf de voorkeur aan geven niemand te zijn, misschien een sereen spook dat toeziet hoe twee arbeiders zijn wereld stukmaken. Waarom met deuren slaan als alleen gedag zeggen genoeg is? Mijn woorden zijn als asteroïden onder de robuuste sterrenbeelden; niemand zal ooit de geheime poort kunnen openen en het risico zal nooit groot genoeg zijn. Het zal gewoonweg nooit genoeg zijn. De schaduwen tasten elk gouden blad aan, elke gedachte, elk jaargetijde. Ik sta op en tol rond, terwijl de muziek het laatste beetje licht uit jouw ogen wegneemt. Ik ga ervan uit dat alles zijn verklaring heeft, maar dat die verklaringen op zichzelf staan; dat dat wat dit ogenblik rekt zichzelf niet kan voorbijstreven. Hier zul je voor altijd zijn als de onzichtbare echo van een absurde klap, als de herinnering aan een onschuldige gebeurtenis, als die bewuste namiddag die nog op je wacht.

In een of ander interview zei ik dat Bogotá mijn Amerikaanse droom was en dat bedoelde ik niet als grap. De roman die ik meebracht in mijn koffer bleef in de stad die me niet alleen mooie en zachtaardige meisjes in duistere gemoedstoestanden gaf, maar die ook ook blijvend de toon van mijn verhalen veranderde. Het kon me nooit al te veel schelen wát ik in mijn boeken zei, het deed er voor mij eerder toe hoé ik het zei. De ideeën zwerven door de wereldgeschiedenis en herhalen zich. Ze zijn koud als de nachten van Alaska. Ik wilde geen ideeën verzamelen en ook geen religie uitvinden; ik wilde de esthetische codes benadrukken van de taal waarmee ik was opgegroeid. Mijn vrienden en ik deelden een soort taal waarvan de dichtheid bepaald wordt door: western en underground films, rock en oude populaire liedjes, in leer gestoken blondines die banken beroofden en er vandoor gingen in rode auto’s, donkergekleurde buurvrouwen die we zoenden op de hete straathoeken van ‘Bewegingloze Stad’, vissers die ervan droomden wereldkampioen boxen te worden en aan te komen op Madison Square Garden, Antilliaanse klanken en klanken uit New York, onbereikbare hoeren die trouwden met politici en schoonheidskoninginnen op een Mercedes Benz van een of andere maffioso, dromen over Sharon Stone, mestiezendromen op het randje en mestiezen die dromen van geurige werelden die ze zien op de tv om even later te gaan slapen in de drek. Bogotá drong binnen in mijn angsten en blies mijn wereld op. Eind jaren tachtig en begin jaren negentig dwaalde ik er rond terwijl ik over de ruïnes van de bommen sprong en mijn woorden polijstte tot ze de scherpte hadden van dat wat Bogotá in mij achterliet; in die lange jongen met een aftandse koffer die daar ooit midden op de dag was aangekomen om er niet meer weg te gaan. Ik weet niet of het leven beter is in een andere stad, of het beter zou zijn datgene wat ik ben en doe te veranderen. Ik vraag het me zelfs niet af, het bevalt me hier te zijn beland zonder daar de reden van te kennen. In die zolderkamer had ik hetzelfde gevoel als nu, dat gevoel op je plek te zijn, alsof je je op het juiste feestje bij het meisje aan de bar meldt met exact die zin die zij verwacht. Silvana vertrok waarna er nog honderden namen volgden, maar Silvana blijft. Nadat ik het zolderkamertje had verlaten zagen we elkaar nog enkele keren en twee jaar later vertelde iemand me dat ze zich van kant had gemaakt in een taxi. Het bericht van haar dood viel samen met de reis van Ma-pi, een meisje uit Quebec met wie ik samenwoonde en dat mij eveneens verliet. Zoals ik altijd doe wanneer ik overmeesterd wordt door pijn, schreef ik een brief gericht aan Ma-pi:

Bogotá, december, 1992
Gisteren heeft Silvana zelfmoord gepleegd (dat vijftienjarige meisje dat mij bezocht op mijn zolderkamer). Ze schoot zichzelf door het hoofd in een taxi. Ik veronderstel dat het tijdschrift ‘People’ hieraan geen aandacht besteedde. Maanden dacht ik erover haar te bellen en nu is het laat, maar toen schoot mij te binnen; misschien woont Ma-pi nog in de Rue Morgan, en ik begon aan deze brief. Ik had niets in gedachten, hooguit losse flodders als: mijn moeder belt me twee keer per maand en vertelt me dan dat de regen de auto naar de filistijnen helpt en dat ze niet weet wat te doen. Toen ik ‘Bewegingloze Stad’ verliet beloofde ik hem binnen twee maand op te knappen en nu is hij al jaren gestrand op de binnenplaats (er zijn inmiddels duizenden stortbuien en stralen zonneschijn overheen geweest, hij zit vol met spinnewebben en er is al verschillende keren een poes bevallen op de achterbank, er wonen daar zelfs kabouters).
Ik stel mij voor dat je bijna klaar bent met de universiteit, met Heidegger als je stokpaardje. Arme Ma-pi, verliefd op de ideeën, arm meisje, diepzinnig en zwaar als een steen op de bodem van de zee. Word niet boos, dat van Silvana raakt me niet, ik vond haar een aanstelster… Geweldige dichters praten alleen in zichzelf, gaan nooit in bad en ze schrijven ook geen huilerige brieven. Zij dacht dat ik er zo een was. Ze leverde zich aan mij over en zei: “Wijs me de weg, geef me je liefde en neem mijn lichaam, je bent een dichter, pas goed op mij, dichter.” Iemand die mij zoiets zegt, goh. Ze was niet beroemd noch arm, ze had niets om zich in te bewijzen, ze was ook niet zwart en wist niets van Jimmi Hendrix, ze deed slechts. Ze gebruikte geen drugs, is niet een typisch geval van ‘People’ of ‘Cosmopolitan’: ze is het eenzame hart dat door de winterse nachten strompelt, de afstand die zich verwijdert door een grote gang in een rolstoel, door de smalle gangen van ons bewustzijn, het vertrouwen in anderen. Ik haat mensen die op mij vertrouwen: wanneer je op iemand vertrouwt geef je een grens aan. Dat vertrouwen is een dikke muur waarvan men verwacht dat je hem niet omverwerpt en niets is verleidelijker; het is als een zondagse taart op de tafel van een weeshuis, als een blote meid in de kleedkamer van een boxer, als een biljet van honderd dollar bij de uitgang van de bioscoop. Wanneer je op iemand vertrouwt maak je in hem zijn duivelse overtreder wakker. Vertrouwen is vies, het is alsof je tegen de ander zegt: “Je kunt me niet verraden want dan ga ik dood.” Dit past niet bij mensen die authentiek zijn, hoe kan ik aan de duivel trouw beloven als ik daarmee zelfs mijn eigen natuur verloochen. Op iemand vertrouwen is die persoon dwingen een code te respecteren. En als je dan toch op iemand vertrouwt, waarom is het dan nodig dat hij iets belooft, waarom duw je hem tegen de muur en dwing je hem beloften af. Ik word misselijk van het stellen van voorwaarden, vooral als er geen voorwaarden zijn.
Ik weet dat je verbitterd wegging, dat ik je verpletterde onder vragen en nog meer… Er is nu niets speciaals aan de hand, ik luister naar Dizzy, haar stormachtige geblaas duwt me omver, en ik denk aan Silvana: ze zei altijd dat ze haar moeder haatte (dat hoeft niet nader toegelicht, wie in’s hemelsnaam heeft zijn moeder niet gehaat?) zonder te begrijpen waarom. Het ging om een abstracte haat, een haat zonder reden. Ze haatte haar moeder zoals men de smaak van een of andere vrucht kan haten of van koud water in de winter; pure haat, gezond en onveranderlijk. Haat zonder aanklacht noch raadselen. De moeder leek die haat te beantwoorden, het ging om een extra band tussen de twee. Ik vond het prettig naar haar te kijken, ze lachte om wat ik vond. Ze schreef enkele gedichten, mijn favoriete luidt: “Behalve de moordenaar zijn alle anderen slachtoffers/de slachtoffers rennen naar de viaducten/en het interieur van de verlaten kerken/De moordenaar loopt in de straat/hij is arrogant en mooi/Behalve hij weten ze allemaal dat ze gaan sterven/Hij staat rokend op de hoek/later gaat hij naar huis/scheert zich/kust zijn meisje/Behalve de moordenaar hebben alle anderen schuld.”
Ik vind het afschuwelijk dat ze zo vertrokken is, ik schonk nooit aandacht aan haar als ze sprak over zelfmoord.

In een stad moet men zich roeren. Het doet er niet toe wat men doet, als men zich maar roert. Men kan zich zestien uur wentelen in- en overgeven aan verdriet, maar daarna moet er opnieuw begonnen worden. Het personage Slacks van Boris Vian heeft iets verrukkelijks… Het gaat om een vrouw die autorijdt met de blik stijf gericht op de weg in de hoop dat er een hond oversteekt om hem aan moes te rijden. Alleen dat windt haar op. Maar dat alles treedt naar de achtergrond terwijl ik het eten klaarmaak en met Marta praat. Haar stem heeft een timbre dat me bevalt. Het maakt niet uit wat ze zegt, de klank is genoeg.
“Dat hangt ervan af”, zegt ze.
“Ja, dat hangt ervan af”, zeg ik.
“Heb je dat gedicht al geschreven?”
“Welk?”
“Dat van die twee soorten afwezigheid”, zegt ze.
Ik herinner me twee personages van Salinger. Ramona, de dochter van Eloise. Een bijziend meisje dat op de rand van het bed slaapt om haar denkbeeldige vriend niet te verpletteren. En Muriel, een meisje dat slaapt terwijl haar vriend zijn de hersens aan flarden schiet met een Ortgies kaliber 7,65. Het is om moedeloos van te worden als je hieraan denkt, kijkend naar hoe de pasta zwelt in het hete water. Ik draag het gedicht voor dat zij zo mooi vindt.

Er zijn twee soorten van afwezigheid /Bij de ene komt de afwezige niet terug /Bij de andere gaat de afwezige niet weg /De ene is overgoten door zon /De andere maakt dat het glas beslaat en droogt het gras als het al droog is /De ene verandert het lawaai in een avontuur /De andere is een lange zondag zonder tijdschriften.

Ze reageert peinsend. Andere teksten, waarin ik me hardvochtig of in de ogen van vrouwen een vrouwenhater toon, hebben verhitte discussies losgemaakt. Haar manier van kijken heeft me doen beseffen hoe gezwollen ik vaak ben. Op een keer vroeg ze me of ik het prettig zou vinden als Laura Elisa (mijn aanbeden nichtje) sommige dingen die ik schrijf zou lezen. Laura woont in ‘Onbewogen Stad’, ik mis haar elke dag. Ze is al veertien jaar en heeft de stem van een suikerspin. Haar geest is als duizend pretparken. Zij is de enige die weet dat ik Rey Reptil ben, niemand anders kent mijn geheime persoonlijkheid.

We eten en we praten. Op de radio klinken balades van Joe Dassan, mijn favoriete zanger aller tijden. Daarna doet zij de afwas en herinnert me er aan dat ik handschoenen moet kopen.
Alleen al haar aanwezigheid doorbreekt die saaie zomers van ‘Onbewogen Stad’, vergeven van opdringerige billen, veelkleurige handdoeken en cocos-olie. Ik kijk hoe haar hand langs de rand van een bord strijkt en ik herinner me dat ik me vannacht ineens bedreigd voelde toen ik omhoog klom via de Torens van het Park. Ik keek om me heen zonder stil te blijven staan, maar er was niemand. En toen stelde ik me voor hoe een kogel tussen de bomen door mijn hart doorboorde. Ik slaagde erin mijn lichaam te zien terwijl het over de rode bakstenen treden lag, terwijl de wind gierde en de droge bladeren op mijn voorhoofd vielen. Niemand in de verre omtrek kwam er in geen duizend nachten achter, ook niet Philip Marlowe in eigen persoon, wie de moordenaar was. Ik bracht de nacht daar neergeschoten door en later, bij de schemering van de volgende dag, zou ik retourgestuurd worden naar ‘Bewegingloze Stad’ in een plastic zak. En dat was het dan, punt. Ik versnelde mijn passen, mijn hart ging tekeer en was in een paar seconden loodzwaar, gevuld met angst. Ik ging de flat binnen, omhelste Marta en voelde me gered. Ik zette mijzelf thee en liep naar het raam. In de verte zag ik die stad; haar gebouwen en bomen, haar onzichtbare maar recht op hun doel afgaande kogels. Dat is het vooral wat me bevalt; Bogotá houdt mijn zintuigen scherp waardoor ik elke seconde meer waardeer. Ik waardeer het minuscule pluisje op de katoenen rode bloes van Marta, evenals haar liefdevolle ogen. De liefde is even gevaarlijk als de stad maar scherpt de zintuigen. Het leven komt zo borrelend binnen. Ik keek naar Marta en even later naar de lichten van de stad. Nee, gered was ik niet, het gegons van iets denkbeeldigs dat voortvloeide uit angst bereikte me via het raam. Ook wat niet bestaat is onverbiddelijk.


Efraim Medina Reyes

4 comments:

Flecha Verde said...

Ana, es una sensaciòn estupenda tener una amiga como tù. Espero ir a Amsterdam muy pronto para que conversemos. Un beso inmenso.

Flecha Verde said...

Lo que quiero decir es que la amistad la concibo como un espacio que te libera de los otros espacios. Y, por supuesto, de los sagrados afectos, las obligaciones y las buenas maneras.

ana said...

Afortunadamente Efraim, digo yo con mis malas maneras.

Te doy un beso grande.

KATHO said...

hola Anita, ¿que tal las canciones? las cosas poco a poco vuelven a su cause.
abrazos llovisnosos y alegres desde luego.