Monday, April 21, 2014

Niet gewonnen

In de schaduw van bling bling
Anita Brus
Het regent. In zijn huis staan overal flessen en emmers water. Hij is erg druk met al dat water. We zouden naar buiten kunnen gaan om te douchen onder de tropische regen, maar hij vangt de regen liever op in verschillende emmers. Daarvoor moet hij vroeg opstaan. Ondertussen zet hij een pan met water op het fornuis zodat we ons straks met warm water kunnen douchen. Mij geeft hij de instructie de blauwe emmer te gebruiken en niet de rode. De rode is gevuld met regenwater en de blauwe met water uit de put. “Dat water is schoner en dus hygiënischer om je mee te wassen”, zegt hij. “Het water uit de rode emmer kan gebruikt worden om de wc mee door te spoelen.”
Een ‘douche’ in dit Afrikaanse land houdt in dat je emmers water over je hoofd giet. Maar met één emmer ben je alles meteen kwijt. Daarom drijft er in de grote emmer altijd nog een kleinere versie, zodat je kleinere hoeveelheden over je heen kunt gieten. Water is hier dus geen vanzelfsprekendheid. Eerder een dagtaak. Er is nog veel meer niet vanzelfsprekend. Elektriciteit bijvoorbeeld. Als wij ’s avonds aankomen bij zijn huis is het steeds weer spannend. Brandt er licht? Nee, weer geen licht. Maar ook als het licht wel brandt kan het elk moment uitvallen. Zijn huis bevindt zich aan de rand van de stad. Om het huis heen is het drabbig en rommelig. Openbare voorzieningen zijn er niet. Je arriveert niet met droge voeten. Ook niet met schone. Maar je mag, als je thuiskomt, blij zijn dat je niet in een van de talrijke diepe gaten gevallen bent die je hier overal aantreft in het wegdek. “Kijk naar de grond”, waarschuwt hij voortdurend en eenmaal thuis wast hij mijn voeten. Met het water uit de blauwe emmer.
Hij is de enige kritische schrijver die nog in het land woont. De anderen zijn gevlucht voor de dictatuur. Ik ontmoet hem in de laatste week van mijn verblijf in zijn land. Hij schrijft over de corruptie, onvrijheid, nalatigheid in de gezondheidszorg, gebrek aan water en elektriciteit, en andere problemen die de bevolking heeft. Grote delen van de stad zijn ’s avonds aardedonker, hoewel het met het licht tegenwoordig iets beter lijkt te gaan. Vroeger dromden studerende scholieren samen onder de lampen van in aanbouw zijnde hotels, nu zie je ze met hun laptops in de buurt van Sofitel Hotel, het zenuwcentrum van de stad en daarom de enige plek met een internet signaal. Hier tref je iedereen die in dit olierijke land iets betekent. De Amerikaanse CIA heeft er een vast kantoor, pal naast het zuurstok gekleurde paleis van de president.
De stad heeft een hoog Disneygehalte. Oude koloniale gebouwen worden afgebroken en vervangen door absurde paleisachtige bouwsels bekleed met tegels. Veel glanzende muren met abstracte patronen. “Badkamerarchitectuur”, noemt mijn Amerikaanse begeleider het, volgens hem het resultaat van een foute opvatting van westerse voorbeelden. Je zou het ook gewoon ‘postmodern’ kunnen noemen, maar dan wel ‘Afrikaans postmodern’, met veel bling bling. In het stadscentrum is in dezelfde stijl een stenen ‘tuin’ aangelegd waarvan niemand weet waar die toe dient. Lege omhulsels zonder doel. Faҫade achitectuur die alleen bedoeld lijkt om te imponeren evenals de vele stempels op papieren.
Binnenin is het leeg. In het kale kantoor van het bureau voor toerisme tref ik een gemoedelijk ogende functionaris omringd door hoge stapels papier. Ik heb documenten nodig om te kunnen reizen en fotograferen. “Dat wordt heel moeilijk”, zegt hij. “De ministers die moeten tekenen zijn er op dit moment niet.” Die blijken op congres elders in het land. Maar misschien, als ik heel erg mijn best doe en naar het gebouw van de staatskas ga om daar de nodige papieren te halen. Als ik dan over een halve week terugkom kan hij kijken wat hij voor mij kan doen. Ondertussen leunt hij gerieflijk achterover, wijzend op een vergeelde foto van zijn kinderen en al babbelend over zijn familieleven en over voetbal.
De papieren die ik koop in het half ronde spiegelgebouw van de staatskas zien er boeiend uit. Toch is het niet meer dan weliswaar chique, maar leeg briefpapier met rechts boven het wapen van de republiek. Op dit papier schrijf ik een brief aan de ‘weledelgestrenge minister’, voeg er de nodige bestempelde ‘waardebonnen’ aan toe en meld mij opnieuw bij Toerisme. Daar begint alles weer van voor af aan. De man vertelt mij vanachter zijn bureau met de stapels papier nog een keer hoe moeilijk het is om van de minister toestemming te krijgen, hoe het met zijn kinderen gaat en hoe geweldig het is dat het Nederlands elftal doordrong tot de voetbalfinale. Toch bekijkt hij mijn papieren zorgvuldig of doet alsof. Met een goedkeurende blik niet hij ze aan elkaar. Nu is het volgens hem alleen nog wachten op de minister. “Kom over enkele dagen maar weer eens terug”, voegt hij er aan toe. Ik heb nog vier weken.
Als ik de nodige documenten uiteindelijk toch heb vlieg ik over de grootste van de vele presidentiële paleizen. Van bovenaf zie ik de pastelkleurige, klassiek aandoende gebouwen. Het complex lijkt op een taart omgeven door gigantische golfterreinen. De president en al zijn echtgenotes baden in weelde terwijl de bevolking arm is en door hem wordt onderdrukt. Ik ben nog in het land als ik verneem dat er de vorige dag in de buurt van de hoofdstad vier militairen zijn geëxecuteerd zonder vorm van proces. Hun lichamen werden in een massagraf gedumpt en mijn schrijver huilt nu ook emmers water. Een maand later zou ook hij vluchten. 
Zenuwen heb ik als ik het land verlaat. Bij de paspoortcontrole op het vliegveld bestudeert een nors kijkende douanebeambte nauwlettend al mijn met moeite verzamelde visa om tot de conclusie te komen dat ze mij een permanent visum gaven waarmee ik hier zou moeten blijven. Ik smeek hem om mij te laten gaan, waarop hij met tegenzin het laatste vereiste stempel zet voor de uittocht.

Wednesday, January 22, 2014

Een beetje indiaan

Alweer ruim twee weken terug uit Kameroen slik ik mijn laatste malariapillen terwijl ik kijk naar een eerder gemiste aflevering van ‘O’Hanlons helden’ over Henry Alexander Wickham. Ademloos volg ik Redmond O’Hanlons verhaal over deze negentiende eeuwse ‘James Bond van de rubber’ die in Brazilië rubberzaden stal om er elders rijk mee te worden, maar die daar bijna bezweek aan malaria aanvallen. Destijds overleefde meer dan de helft niet van alle blanken die de jungle introkken en ik ben blij dat wij tegenwoordig goede medicijnen hebben waardoor ik weer gezond terug ben, al laat ik mij hier volgens Sunny Bergman te veel meeslepen door de reisverhalen van O’Hanlon.

“Ik heb een grote weerstand tegen het verheerlijken van de ‘grote ontdekkingsreizigers’, zijn fascinatie voor ‘koppensnellers’ en het gebruik van het woord inboorlingen”, schrijft documentairemaakster Sunny Bergman op haar Facebook-pagina. Hoewel zij er nog wel aan toevoegt dat hij het woord inboorlingen “to be fair” niet zelf gebruikt, beschuldigt zij O’Hanlon ervan dat “hij ‘de ander’ exotiseert in zijn benadering, in plaats van dat hij onderzoekt”. Vervolgens vraagt zij zich af hoe zij haar weerzin tegenover hem moet duiden in een interview dat zij nog met hem zal hebben.

Arrogantie van het christendom

Om na te gaan welke ‘weerzin’ zij tegenover O’Hanlon zou kunnen voelen bekijk ik nog een aantal afleveringen waarin ik hem met zijn koffer door de drek van menig tropisch regenwoud zie zeulen. Afleveringen die beginnen met de vermelding dat zijn vrienden beweren dat hij in de verkeerde eeuw is geboren, waar hij het zelf hartgrondig mee eens is.

Ik laat mij meevoeren door de meeslepende verhalen van ontdekkingsreizigers die hij voorleest en door de wijze waarop hij zich onderwerpt aan plaatselijke gebruiken. In de aflevering over de ‘rubberdief’ Wickham vraagt hij zich af waarom hij steeds weer eindigt in een donkere hut met een “walgelijk ontbloot bovenlijf”, om te constateren dat dit waarschijnlijk komt doordat hij als domineeszoon altijd al een grote weerstand had tegen de arrogantie waarmee het christendom de waarheid verkondigt en dat hij daardoor een zwak ontwikkelde voor wat hij de “do-it-yourself-priests” noemt.

Hallucinerend poeder

Ik vind het aandoenlijk om de oprechtheid te zien waarmee hij zich overgeeft aan sjamanen en moet ineens denken aan een fascinerend boek dat ik jaren geleden las over de Yanomami-indianen in het Amazonegebied. De auteur beschrijft hierin hoe hij zich onderwerpt aan een heftig ritueel waarbij hij zich door het Yanomami opperhoofd via een buis een hallucinerend poeder in beide neusgaten laat blazen waarna hij zo’n beetje knock-out gaat.

Maar wacht eens even, was de auteur van dat boek niet Redmond O’Hanlon? Ik zoek het op en vind het boek ‘Tussen Orinoco en Amazone’ dat inderdaad geschreven is door Redmond O’Hanlon en dat gaat over zijn reis door het gebied van de toen nog amper ontdekte Yanomami.

Exotische’ details

Beste Sunny, ik denk dat iemand die exotische oorden bezoekt en daar op een originele manier verslag van doet niet ook per se ‘exotiseert’. O’Hanlon geeft duidelijk aan dat hij zich in zijn programmareeks wil verplaatsen in zijn ‘helden’ die uiteraard anders dachten dan wij nu doen en waar je dan ook niet naar moet kijken vanuit de ideeën van onze tijd. De kracht van de serie is dat hij je meevoert in een andere tijd en een andere wereld, met daarbij nog het fenomenale oog van O’Hanlon voor de (voor mijn part) ‘exotische’ details.

In ‘Tussen Orinoco en Amazone’ schrijft hij bij zijn eerste ontmoeting met de Yanomami-indianen: “Toen ik ze van dichtbij bekeek zag ik dat ze overdekt waren met kleine bloedvlekjes: ze hadden zo te lijden gehad van kriebelmuggen dat op hun lichaam geen plekje meer over was voor een nieuwe beet.” Ik zie Redmond O’Hanlon voor mij, zelf ook helemaal vol muggenbeten en met zijn laarzen diep weggezakt in de modder. Een Engelsman die zodra hij met zijn koffertje (waarin waarschijnlijk ook wel malariapillen) het oerwoud instapt een beetje indiaan wordt. Of een 19de eeuwse ontdekkingsreiziger.

zie ook http://www.frontaalnaakt.nl/archives/een-beetje-indiaan.html
              

Tuesday, October 01, 2013

Hard Stuff

Ik was een tijd stil. Nu ik weer schrijf is dat een politieke daad volgens de Franse filosoof Jacques Rancière. Ik onderscheid mij ermee van de dieren. Dieren schreeuwen en janken van plezier, pijn of uit kwaadheid, terwijl mensen zich uiten in ideeën. Daarmee laten zij van zich horen en dat is politiek.
Althans, dat is wat ik leer in de Universiteit van Leiden tijdens de seminar ‘El lugar de lo político’ (de plaats van het politieke). Na een aantal jaren politiek bedrijven uit de losse pols vond ik het tijd worden voor een stevige aanpak. ‘Hard stuff’ is wat ik vond. Af en toe bijna niet te volgen, maar voor de goede verstaander bijzonder leerzaam, al zou het alleen al zijn om die enkele regels van Jacques Rancière.
Tegendraadse actie
Politiek is een tegendraadse actie van een ‘sujet’ met als doel een zekere orde te creëren die zijn eigen bestaan garandeert, leer ik in les 1. Een jongetje dat tegen zijn moeder zegt dat hij geen spruitjes lust bedrijft politiek. Of hij daarmee ook een zekere ‘orde’ creëert waarmee hij zijn bestaan garandeert is de vraag, maar hij uit zich tegendraads en dat is politiek.
Of het tegendraads uiten ook werkelijk ergens over moet gaan is en andere vraag. Ik hoor dat dit lang niet altijd het geval hoeft te zijn en iemand die dat zeer goed begrepen heeft is Geert Wilders. Volgens Chantal Mouffe (Belgische politieke filosoof) heeft de liberale politiek van de ratio en de consensus gefaald en moeten wij er nu een flinke portie passie tegenaan gooien.
Beestachtigheid
Terug naar Freud dus, in een ‘post-politiek’ tijdperk waarin de verschillen tussen links en rechts nagenoeg zijn weggevallen. Mouffe pleit voor strijd, al zegt ze er wel bij dat die strijd door middel van een parlementaire democratie moet worden ‘getemd’. Ik vraag mij af hoe wij het losgooien van alle remmen onder politici en in de media in de hand houden. Hoe ver willen wij nog opschuiven in de richting van de beestachtigheid en wie zet daar uiteindelijk een rem op?
Op Facebook trekt een foto voorbij van de dode Amerikaanse ambassadeur in Libië die op gruwelijke wijze over de grond wordt voortgesleept. Klopt het beeld en wat is de bron, vraagt iemand zich af. Hoe worden wij gemanipuleerd en in hoeverre laten wij onze ‘passie’ de vrije loop? Ik vraag mij af welke politiek ons moet gaan redden.
De volgende les gaat over populisme. Wordt vervolgd.
 

Wednesday, August 07, 2013

Espíritus africanos


En el ‘Afro-Hispanic Review’ Almudena González-Vigil llama al pintor guineano Luis Royo del Pozo - ‘Papá Luis’ - “un artista que ‘respira arte’”.[1] Sobre el artista nos cuenta que pinta desde niño: “[...]por placer y sin escuelas. No pinta para vender, ni para exponer; simplemente forma parte de lo que define y de lo que organiza su mundo y así lo ejerce.” No sólo glorifica el amor del bosque trópical del pintor “con sus grandes árboles, entre los que se pueden ver espíritus africanos emergiendo, ritos y prácticas ancestrales, animales ocultos y músicas profundas”, sino también el aislamiento del artista “al que han pasado años sin salir de Guinea”. Y nosotros, el público, no entendieramos al artista: “Los que no lo conocen no lo entienden, incluso se equivocan en sus impresiones.”

Surge la pregunta quién se equivoca aquí. En su artículo Almudena González-Vigil pone imágenes de los cuadros del artista que tienen poco que ver con los bosques tropicales que ella describe en el texto. Veo paisajes y un cuerpo feminino, pintados en estilos bastante conocidos. Me hacen pensar en los cuadros que vi de ciertos artistas en países latino-americanos, que también pintan en un potpurri de estilos impresionistas, expresionistas, cubistas, y otros estilos occidentales. Parece que Luis Royo del Pozo, a pesar de su ‘aislamiento’, conoce bien los cuadros de Occidente. En sus bosques impresionistas y expresionistas no veo a ningún ‘espíritu africano’, ni ‘ritos y prácticas ancestrales’ o ‘animales ocultos’. Esos sean más los productos de las fantasías de la autora del artículo, con lo que hace todo más exótico para un público occidental. Incluso va un paso más lejos con decir que al pintor sólo le entendieran los que lo conocen, y “los que lo conocemos sabemos que es un artista puro, apasionado y cálido en medio de todo y de nada, de la vida y de la muerte, qué más da... lo que importa es la esencia, el ser sin contaminar, sin mentiras, sin complejos internos.” Da la impresión como si sólo ella y sus amigos pudieran patentar al conocimiento del artista y sus características con las que también entramos en los clichés del Romanticismo; el artista puro, aislado del resto del mundo y por eso no corrumpido. O sea, el artista no afectado por la ‘civilización’, el noble salvaje de Rousseau que va bien junto con lo exótico de la selva tropical.
En el mismo número del Afro-Hispanic Review salió un muy buen artículo de Alba Valenciano Mañé y Francesca Bayre sobre unas películas coloniales de los años cuarenta.[2] En este artículo mencionan “la construcción del imaginario colonial a través de la identificación de los estereotipos que perduran en el tiempo.” También analizan las imágenes de las películas según estos estereotipos. Unos de los temas de las películas resultan ser la riqueza forestal, la representación etnológica, la fauna y los fenómenos naturales, con “la lucha contra la naturaleza y la relación dicotómica entre salvaje y civilizado”. Son los temas de las imágenes acompañadas por “una omnipresente voz en off”.
El comentario de Almudena González-Vigil a los cuadros de Luis Royo del Pozo tiene algo de una omnipresente voz en off. En su comentario no da una crítica, ni explica mucho de los motivos del pintor. Describe al pintor como alguien “enamorado del bosque tropical que le ha cautivado y persuadido [...]. Se puede ver la fuerza de la naturaleza y el miedo a ofenderla.” Son los tópicos exóticos que son los mismos tópicos de siempre; los estereotipos que perduran en el tiempo. Y, sólo habla la voz en off. Faltan los datos del artista. En el artículo ni siquiera mencionan títulos, ni fechas de sus cuadros.
Anita Brus


[1] Almudena González-Vigil, Los mundos de Papá Luis. Afro-Hispanic Review, Vo. 28, number 2, 2009, Vanderbilt University
[2] Alba Valenciano Mañé y Francesca Bayre, Cuerpos naturales, mentes coloniales: Las imágenes de Hermic Films en la Guinea española. Afro-Hispanic Review, Vo. 28, number 2, 2009, Vanderbilt University
 

Saturday, May 11, 2013

La Nueva Antología de la Literatura de Guinea Ecuatorial



Delante de mí la Nueva Antología de la Literatura de Guinea Ecuatorial. Libro inmenso de M’bare N’gom y Gloria Nistal (ed.). Me pregunto qué sea la diferencia entre la Antología de Donato Ndongo comprada en Malabo en 2010, en el CCEM.
Los editores me contestan. Incluyeron los textos orales. También han sustituido algunos textos por ediciones más recientes y han puesto más de la literatura del siglo XXI. Empiezo a leer la introducción. Espero leer algo sobre las circunstancias duras bajo las que escriben los autores de hoy en día. De Juan Tomás Ávila Laurel sé que tuvo que dejar su país después de una huelga de hambre en 2011 y que se encuentra hoy en día en el exilio en Barcelona, a pesar de un intento para volver a Guinea. Y sé que la mayoría de los escritores guineanos hoy en día todavía se encuentra en el exilio.
De la nueva generación dicen que “en su mayoría son escritores que no han vivido, al menos de forma directa y en carne propia, la traumática experiencia del exilio como la generación anterior”. Y leo sobre la “manipulación de la Historia Nacional” que “se tradujo en una mitificación y sacralización de la figura de Francisco Macías”[i]. Mientras tanto veo y escucho un discurso de Teodorín Nguema Obiang en You Tube, en el que elogia a su padre mientras llama a todos sus opositores “unos bandidos y unos diablos”[ii]. Me enfado. No con él del que ya sabemos lo suficiente, sino de ellos que tendrían que saber mejor. Cómo callarse de la situación bajo el régimen actual, sólo muy poco mejorada (y tal vez ni siquiera) en comparación con los tiempos de Macías? No vivimos hoy en día la misma mitificación y sacrilización bajo el régimen de Obiang?[iii]
Leo ‘La travesía’ de Francisco Abeso Ngeuma, seudónimo usado por Donato Ndóngo-Bidyogo cuando escribió este relato triste sobre la trata de los esclavos en la época colonial. Cuenta cómo el jefe Mbatua mandó que su gente se congregara en el patio de la aldea, y cómo los blancos les llevaron. Nada entendía el protagonista del comportamiento de esos mismos blancos, ni del comportamiento de su jefe: “Siempre me dieron mala espina esos blancos, pero nunca pude sospechar que llegaría a tan alto grado su osadia. Como tampoco pude prever que un buen negro podía contemplar tan impasible la desgracia de sus hermanos.”   
Cómo se podía prever que un buen negro podía contemplar tan impasible la desgracia de sus hermanos en la époco de Macías? Y cómo se podía prever que después de tantos años un nuevo régimen se enriquecía a través del petroleo sin cuidar a su misma gente y bajo el mismo culto de la personalidad que antes propagaba Macías? Y cómo se podía prever que a pesar de eso unos redactores de una Antología se callaran de la verdadera situación en el país? Tal vez es verdad que después del llamado ‘Golpe de libertad’ en 1979 la creación cultural conocía un renacimiento bestante espectacular bajo las alas de los centros culturales de España, como dicen en la Nueva Antología. Pero será bajo esas mismas alas (e intereses) que probablemente han perdido la realidad un poco de vista.
Anita Brus, 11 de mayo de 2013

 
[i] p. 31 Introducción a la Nueva Antología de la literatura de Guinea Ecuatorial, por M’baré Ngom
[ii] Discurso de S.E Teodoro Nguema Obiang ASHO Bata, mayo 2013
[iii] En Julio de 2003, la radio estatal anunció que: "El presidente es un dios que está en contacto permanente con el todopoderoso, y puede matar a cualquiera sin que nadie le pida cuentas y sin ir al infierno, porque es el dios mismo."
 

Saturday, March 23, 2013

Belle


VERBODEN LIEFDE     1760

VOOR BELLE



IK MAG NIET MET JOU LEVEN

DAT ZOU PAS LEVEN ZIJN

IK VERLANG MET HEEL MIJN WEZEN

EN HEEL MIJN HART DOET PIJN.
 

WIJ HOUDEN DE CONVENTIE

VAN EERBAARHEID IN ACHT

MAAR IN CORRESPONDENTIE

IS EEN ANDERE WET VAN KRACHT
 

DAAR KUNNEN ONZE GEESTEN

VRIJ VAN ALLE PLAT FATSOEN

IN ALLE VRIJHEID FEESTEN

EEN BRIEF KAN ALLES DOEN

 
WAT DE MORAAL ONS HEEFT VERBODEN

OP PAPIER ZIJN WIJ NIET GEKNECHT

DAAR BEVREDIGEN WIJ ONZE NODEN

ECHTE LIEFDE IS NOOIT SLECHT.

 
EN SCHRIJF IK IN MIJN BRIEVEN

“IK VLEI ME AAN JOUW VOETEN”

DAN VERZUCHT IK ALS IK EINDIG

OM JE MOND WEER BEGROETEN.


IN TWEE WERELDEN BLIJVEN WIJ LEVEN

MAAR IN DE GEEST ZIJN WIJ STEEDS EEN.

ALS ONZE BRIEVEN ZIJN GEBLEVEN

EN IEMAND ZE ZAL LEZEN

 
KOMEN WIJ OPNIEUW TOT LEVEN

ZAL ONZE LIEFDE WEER BESTAAN

EN ONS EEUWIG LEVEN GEVEN

GELIJK DE STERREN, DE ZON EN DE MAAN.

 
 
VAN CONSTANT

 

AAN DE VECHT                                1760

VOOR CONSTANT (D’ HERMENCHES)

 
IK LOOP

LANGS DE VECHT

EN MIJN SCHOEN

RAAKT HET GRAS

EN EEN PLAS

WEERSPIEGELT

DE ZON EN JOUW GEZICHT

DAT ALS VANZELF MET ME MEE

DEINT

MET DE GOLVEN

VAN DE RIVIER.

 
WAS HET HIER OF GINDS

DAT JIJ

MIJN HAND

NAAR JOUW LIPPEN BRACHT

EN IK IN VERVOERING

DE WOORDEN HOORDE

DIE MIJ

VOOR ALTIJD, ALTIJD

AAN JOUW HECHTTEN?

 
WAS HET GISTEREN

OF VANDAAG

OF EEN EEUW GELEDEN

DAT WIJ SAMEN

HIER

AAN DE VECHT

DE LIEFDE BEDREVEN

TUSSEN THEEHUIS EN RIVIER

ONDER DEZE WILG OF DEZE VLIER?

 
AFSTAND, PLAATS

EN TIJD

MAKEN NIET UIT.

ALS IK MIJN OGEN SLUIT

GAAT DE ZON ONDER

EN MIJN GEDACHTEN

HALEN JOU DICHTBIJ

EN ZO DICHTBIJ

BEN JIJ

VAN MIJ

ALTIJD VAN MIJ.

 
VAN BELLE ( VAN ZUYLEN.)          EMKA

Monday, March 18, 2013

Vlaggetjes planten

Door Anita Brus


Campagne gezien van Defensie? Je bent een sloper, je bent een vechter, je bent een vijand, je bent een macho, je bent militair. Werken bij Defensie, je moet het maar kunnen!
Sinds wanneer gelden slopen, vijandelijkheden en machismo als positieve eigenschappen, vraag ik mij af. Zelfs als het om Defensie gaat. En al zou dat zo zijn, wat maakt de Nederlandse soldaat hiervan waar als het er op aankomt? Ik moet er bijna om lachen, terugdenkend aan de heldenrol op sokken die Nederlandse soldaten speelden toen zij eenmaal tegenover echte Servische macho’s stonden in het voormalige Joegoslavische Srebrenica.

Bange man
Ik las ‘La Hija del Este’ (‘Dochter van het Oosten’) van Clara Usón, een Spaanse schrijfster die tot in detail beschrijft hoe Karremans tegenover de Servische generaal Mladić staat:

‘De Nederlandse kolonel is een lange, dunne man, maar in deze situatie lijkt hij ineengekrompen alsof hij zich kleiner wil maken om met een beetje geluk te verdwijnen. Hij staat met zijn magere gezicht en een grijze gedwee omlaag hangende snor tegenover de verwaande Servische militair; een bange man van wie de ogen doen denken aan de ogen van een hond die op het punt staat gestraft te worden […] Karremans zal spijt hebben gehad dat hij ooit voor een militaire carrière koos; hij heeft het uiterlijk van een brave en een beetje slappe schoolmeester die door zijn leerlingen voor de gek wordt gehouden.’
Liever stoer zijn
Zo maakte Karremans onze reputatie in het buitenland als ‘brave schoolmeesters’ helemaal waar, maar wij willen natuurlijk liever stoer zijn. Liever een sloper, een vechter, een macho en daar is alle reden toe want er woedt een oorlog.
De oorlog gaat tussen de VVD en de PvdA over Defensie. In de NRC van afgelopen donderdag lees ik dat er gestreden wordt om het gebied dat wij moeten bestrijken bij onze missies. Nooit geweten dat Afrika daarbij gold als ‘links’ en Afghanistan als ‘rechts’. Dat beweert althans PvdA-Kamerlid Désirée Bonis die vindt dat wij bijvoorbeeld in Mali meer kunnen doen.
Moslims afgevoerd
Wat dan, vraag ik mij af. Misschien moeten wij überhaupt niets willen doen omdat al onze bemoeienissen tot nu toe op weinig uitgelopen zijn. Met als dieptepunt het optreden van Karremans en zijn blauwhelmen in Srebrenica. Het schijnt dat de Nederlandse soldaten daar voor hun ogen zagen gebeuren hoe de Serven kinderen van vrouwen wegrukten. En nadat de moslims waren afgevoerd, vierden onze soldaten feest omdat ze naar huis mochten.
Maar ik wil mij niet opwerpen als degene die het gedrag van die soldaten veroordeelt. Ik heb eerder bedenkingen bij het militaire systeem. Binnen zo’n systeem gedraagt men zich al snel als een klas ‘stoute’ schooljongens. Die jongens zijn niet stout als je ze afzonderlijk spreekt, zij worden dat pas in een groep; al helemaal met een slappe schoolmeester als Karremans.
Vrouwen en kinderen om zeep helpen
En misschien was het maar goed ook dat Karremans zich slap gedroeg, want wat had hij anders moeten doen. Had hij soms in de voetsporen moeten treden van Mladić die het vechten en slopen tot in de uiterste consequentie doorvoerde? Iedereen weet hoeveel doden dit heeft opgeleverd. Het schijnt dat de Serven er van ‘s morgens vroeg tot diep in de middag mee bezig zijn geweest om al die bussen met vrouwen en kinderen om zeep te helpen. Tot ze de blaren van het schieten op hun handen hadden, met af en toe een sigaretje tussendoor.
Alle mislukkingen in het verleden ten spijt is er volgens de gepensioneerde Nederlandse generaal-majoor Patrick Cammaert nog genoeg te doen, maar nu in Afrika: “De VN zit voor missies in Afrika te springen om helikopters. Nederland heeft die capaciteit. Zoals Nederland ook uitstekende special forces heeft, of militaire hospitalen zou kunnen leveren. Het hoeft niet om grote hoeveelheden te gaan. Maar die militairen kunnen helpen in Congo, Ivoorkust, Mali. Somalië. Met als bijkomend voordeel dat je dan als land jouw vlaggetje plant, invloed hebt en weer achter de dijken vandaan komt.”
Ware macho
Heb dan echter wel de ‘guts’ om als ware macho achter die dijken vandaan te komen om je vlaggetje te planten. En dan liever een macho die niet alleen maar toekijkt als anderen voor zijn ogen worden afgeslacht. Laat staan dat hij daarna ook nog eens vrolijk feest viert.

Bint

Door Anita Brus


Ik dirigeer elke dag tenminste drie verschillende orkesten. Niet eenvoudig, met steeds weer een andere partituur en andere spelers op verschillende plekken. Terwijl ik mijn ene hand stil houd om de lawaaierige types te sussen probeer ik met mijn andere hand de slaapkoppen tot actie te bewegen. En dat alles vol overgave.
Technische perfectie volstaat niet in de dirigeerkunst. Het orkest komt pas tot leven als de dirigent contact maakt met de spelers. Daarvoor moet hij zich ontspannen en opgaan in het stuk, maar ook weer niet te veel, want dan verliest hij zijn spelers uit het oog.
De hel van 5havo
Ik denk aan Bint van Bordewijk. Daar zitten ze; Peert, Bolmikolke, Klotterbook en Whimpysinger uit ‘de hel’ van 4D. Mijn hel is 5havo. Van 5havo heeft M. zich gespecialiseerd in bloed zuigen, T. in het bekrassen van het schrift van I. zodra die even niet kijkt. En I. maakt onophoudelijk dierengeluiden. Laten wij hen Miserio, Terrible en Idiota noemen. Allemaal jongens die elkaar niet met rust kunnen laten, vaak lui zijn en dat geraffineerd botvieren op elkaar en de les. Een van mijn moeilijkste orkesten, waarover ik elke keer weer mijn hoofd breek. Ik kan partituren schrijven zoveel ik wil, met mijn armen zwaaien, me ervoor gooien met hart en ziel, maar het blijft moeilijk de juiste toon aan te slaan. Soms lijkt mijn moeite zich te lonen, maar dan vliegt er toch ineens weer iets door het lokaal en breekt opnieuw ‘de hel’ los.
Orde en tucht
Ik probeer van alles, stuur de dissonanten weg of praat met ze, leg het hele orkest stil en praat met allemaal. Soms krijg ik er met veel moeite toch nog een normaal geluid uit en een enkele keer zelfs mooie klanken. Maar dan ineens zakt de hele boel weer in elkaar en komt het niet verder dan wanklanken.
Orde en tucht. Dat had directeur Bint bedacht voor klas 4D. Het leidt er in de roman toe dat een van de leerlingen uit die klas zelfmoord pleegt. Is dat wat Bint wilde? Wat willen wij met onze leerlingen? Een harde aanpak of juist een aai over de bol? Zelfmoorden hebben altijd bestaan, ook onder jongeren. De ene keer helpt een harde aanpak en een andere keer toch die aai over de bol. Mijn ervaring is dat er geen kant en klare formules bestaan. Veel hangt af van de gedrevenheid van de orkestleider en zijn betrokkenheid bij het orkest.
Kluwen van klierders
Onze school heeft veel betrokken docenten en geweldige leerlingen. Toch blijven docenten ook worstelen met sommige klassen en moeten er heel spitsvondige partituren worden bedacht om die lessen gaande te houden. In de les Spaans moeten ze behalve schrijven ook praten en luisteren, want dat hoort nu eenmaal bij het leren van een taal. Maar wat doe je als er op een gegeven moment alleen nog dierengeluiden uit komen?
Het is onbegonnen werk om altijd alles in de hand te houden in deze kluwen van klierders. Er wordt voortdurend gepest, alle pestprotocollen ten spijt. Pubers botvieren nu eenmaal hun onbenul en frustraties op elkaar of op volwassenen. Vaak is helemaal niet duidelijk wie nu eigenlijk wie pest tot zich iemand voor een trein werpt omdat hij of zij niet meer opgewassen is tegen de beestenbende. Hoe wil men dat docenten het altijd op tijd zien zodat zij er iets aan kunnen doen?
Schop onder de kont
Misschien ligt hier toch ook een taak voor de ouders. Houd uw kind in de gaten! Voed het op. Geef het niet altijd maar gelijk, maar wijs het ook op het gelijk van anderen. Houd het niet bij het minst geringste piepje thuis. Leer het dat niet altijd alles ‘leuk’ kan zijn. Leer het de nodige discipline zoals Bint van Bordewijk. Geef het af en toe eens een stevige schop onder de kont. Maar dan wel met de aandacht en liefde van een goede opvoeder. Zoals een goede leraar zijn klas dirigeert, of een goede dirigent zijn orkest.

Kanker overwin je niet

Door Anita Brus

Muizen overal, als kwaadaardige gezwellen. Ze vreten zich door alles heen en je krijgt ze moeilijk weg. Sterker nog, het jongt en breidt zich uit. Je kunt ze bestrijden met klemmen en korrels. Ik kies de korrels, maar vraag mij af of die zullen leiden tot een definitieve uitroeiing.
Kunnen wij kanker overwinnen? Deze week was het weer zover. ‘Sta op tegen kanker’ met veel bombarie op tv. ‘Sterren’ die de kanker hebben ‘overwonnen’, of de strijd juist ‘verloren’.
Botte pech
Ik wind mij op, word kwaad, pak bijna de telefoon. Wanneer snappen jullie nu eindelijk eens dat er helemaal niets te overwinnen valt? Mensen, heus, kanker krijg je gewoon en als je het hebt is het botte pech. Misschien had je het voor kunnen zijn door wat minder te roken of te drinken, maar verder heb je er niets aan kunnen doen. Het is als met die muizen. Had het vuil weggehouden van het balkon, dan waren ze misschien weggebleven. Maar nu ze er eenmaal zijn krijg je ze moeilijk meer weg.
Wat je kunt doen, is de kanker zo goed mogelijk ondergaan. Of nee, niet de kanker, maar de behandelingen waar je voor in aanmerking komt. Ja, zo noemt men dat: “U komt in aanmerking voor een chemotherapie”. Hiep, hiep hoera! Ik kom in aanmerking voor de chemo en wie weet ook nog voor een ‘okseltoilet’ en hormonale therapie.
Zielig op bed liggen
Mooi en dan maar zien dat je zo goed mogelijk door de therapieën heen komt. Daar kun je wel wat aan doen. Zielig op bed liggen helpt niet, flink veel bewegen wel. Zwemmen moet je en door heel Amsterdam lopen. Ik ken de stad inmiddels tot in alle uithoeken. Leuk, het helpt, houdt je wakker en maakt je sterker. Maar de kanker gaat er niet mee weg. Die overwin je niet.

Of je er uiteindelijk aan onderdoor gaat, is afhankelijk van de soort en de grootte van de tumor. En dat hangt weer af van het stadium waarin de kanker ontdekt wordt. Zijn er al uitzaaiingen of heb je het geluk dat je er vroeg bij bent zodat er zich nog geen kwaadaardige cellen in de bloedbaan of via de lymfeklieren hebben verspreid? Was er nog maar één muis toen je de eerste muizenkeutels aantrof of hadden tientallen muizen zich al een weg door je keukenkastjes gebaand?
Dat soort dingen dus. Al die dingen hebben invloed, maar jijzelf niet. Korrels kun je strooien en nog meer korrels. Maar de korrels koop je in de winkel en de chemo krijg je gelukkig nog steeds vergoed, evenals dure tabletten tegen de misselijkheid of om je witte bloedlichaampjes op peil te houden. Bergen medicijnen die je helpen om te overleven.

Gewoon dood
Maar jij hebt daar geen enkel aandeel in. Eerder nog de dokter, het ziekenhuis of de zorgverzekeraar. Jammer als je nu in Griekenland woont, waar geen geld meer is voor al die middelen. Of in een derde wereldland waar nooit geld is voor geen enkel middel. Dan ga je dus gewoon dood, zelfs wanneer de kanker nog slechts in een beginstadium verkeert.

Jijzelf overwint niet, je bent degene die het ondergaat. Winnaars en verliezers zijn er niet. Mooi als de medicijnen effectief blijken en heel fijn als de muis de korrels eet en je hem over het balkon naar buiten kan kieperen. Invloed op je kanker heb je niet, hoe graag men jou dat ook wil laten geloven. Je hebt geluk of pech. Dus “zij heeft de strijd tegen de kanker gewonnen” is onzin.

Gezwel in je borst
Zoals je ook de strijd tegen de muizen niet wint. Het is afwachten of er eindelijk eentje het loodje legt en dan zal de tijd leren of er niet nog meer muizen zijn. Misschien doe je er goed aan geen vuilnisbak meer op het balkon te zetten. En misschien is het beter niet al te veel te roken of te drinken.

Maar zelfs dan weet je het nog niet. Er kan zo maar weer een muis in de kast zitten of een gezwel in je borst.

 

Twentsche meisjes

door Anita Brus


Ik kom uit een Twents dorp, heb Spaans gestudeerd en reisde drie keer naar Colombia. Toch ben ik geen Tanja Nijmeijer. Wat ging er met mij anders?
Tanja en ik verschillen nogal in leeftijd. Ik groeide op in een tijd dat het een voorrecht was om te studeren. De generatie voor mij was boer en toen ik van de lagere naar de middelbare school ging noemde men mij een ‘matig mavoklantje’. Dat deed de vechtersmentaliteit in mij boven komen waarop ik mij naar het vwo vocht, tegen de burgerlijke moraal in iets met kunst ging doen en uiteindelijk (maar toen was ik al heel veel ouder) Spaans ging studeren in Amsterdam.
Che-Guevara-spijkerbroek-idealen
Intussen was mijn vader overleden en zat mijn moeder ziek in het bejaardentehuis. Tegen hen hoefde ik mij dus niet meer af te zetten en van de jeugdige Che-Guevara-spijkerbroek-idealen was ik ook wel bekomen. Als reisbegeleider in Cuba had ik gezien dat het stijf vasthouden aan die idealen daar in ieder geval had geleid tot inkomensverschillen waar je steil van achterover slaat. En dan heb ik het nog niet eens over de leugenachtige propaganda op elke hoek van de straat. Daar prik je al snel doorheen, zeker als je die leuzen begrijpt omdat je Spaans gestudeerd hebt.
Waarom prikte Tanja er niet doorheen? Het zullen de leeftijd en de liefde geweest zijn en ik ga bij mijzelf te rade of ik onder andere omstandigheden ook bij de FARC beland zou zijn. In 2005 besloot ik naar Colombia te reizen vanwege een spannend boek. Jorge Franco Ramos schreef over een sicaria (huurmoordenares) uit Las Comunas, de buitenwijken van Medellín. Men noemde deze literatuur narcorealismo; het realisme van de narco’s als gewelddadige variant van het magisch realisme van Gabriel García Márquez.

Bijzonder knappe mannen

Ik was door beide literaire stromingen gefascineerd en zeker ook niet wars van avontuur. Ik herinner mij een scene in het tropisch regenwoud van Santa Marta waar ik ‘toevallig’ twee stoere paramilitairen ontmoette die ik begroette met: “Wie zijn jullie?”, waarop zij vriendelijk met hun geweren en walkie-talkies in de aanslag antwoordden: “Wij zijn la autodefensa (troepen van de zelfverdediging) en zorgen er voor dat jij hier als toerist kunt lopen.”
Natuurlijk was ik onder de indruk (het waren bovendien bijzonder knappe mannen), maar toch ging ik niet met ze mee en dat had ik ook niet gedaan als ze van de FARC geweest waren.
Waarom Tanja dan wel? Behalve jong was zij volgens degenen die haar kenden ook erg sociaal betrokken. Haar zus vertelde mij dat zij al als kind een boekenwurm was en Liduine Zumpolle (Colombia expert) raakt niet uitgepraat over de Twentse bekrompenheid van haar ouders tegen wie zij zich waarschijnlijk wel moest afzetten.

Sexy spaghettibandjes

En toch word ik kwaad als ik aan Tanja denk. Je moet wel heel erg verliefd en blind zijn wil je je eigen intellectuele capaciteiten zó verloochenen. De FARC doet niet anders dan zich uiten in banale slogans. Ook met een beetje gezond verstand kom je er in Colombia al snel achter wat deze beweging (evenals andere guerrillabewegingen en paramilitairen) zoal heeft aangericht en hoe weinig die nog gesteund wordt door de Colombianen.
Of ben ik nu gewoon jaloers op haar jeugdige overmoed? Net zo jaloers als Liduine lijkt te zijn als zij in de documentaire over haar zoektocht naar Tanja vol verontwaardiging commentaar geeft op de sexy spaghettibandjes van Tanja’s topje?

Avontuur blijft lonken

Misschien, want een voorbije jeugd valt altijd te betreuren en het avontuur blijft lonken, evenals de liefde. Maar niet een avontuur dat over lijken gaat. Ik houd mijzelf voor dat ik dat nooit aangegaan zou zijn, ook niet toen ik nog in Twente woonde en vele keren mooier en jonger was dan ik nu ben.

 
 

Multiculti in de klas

door Anita Brus


 
Youssef en Souhayb zitten achter in de klas. Wij hebben het over de invloed van het Arabisch op het Spaans en ik wijs naar Andalusië op de kaart aan de muur van het klaslokaal om uit te leggen waar de Moren Spanje binnentrokken om zich uiteindelijk te verdedigen tegen de reconquista van de christelijke koninkrijkjes in het noorden. Iedereen draait zich om naar de kaart en volgt mijn uitleg over de Moorse Kaliefen die tot aan Toledo kwamen. Daarna gaan wij weer verder met de Spaanse grammatica, maar Youssef en Souhayb blijven omgedraaid zitten kletsen.
Hoe voor de hand ligt het dan om als docent in 4 Havo uit te vallen tegen de kletsers. “Draai je om en let op!”, roep ik bijna. Maar ik bedenk mij op het laatste moment en zeg: “Ik zie dat jullie nog iets te bespreken hebben. Misschien willen we allemaal wel weten waar dat over gaat dus vertel het maar aan de hele klas.” Er volgt een verhaal.

Naar Marokko reizen

“Wij hebben het er over hoe wij naar Marokko reizen”, vertelt Souhayb. “Helemaal langs de kust van Spanje, via Barcelona, Valencia naar Almería waar we oversteken naar Marokko. We gaan namelijk naar het oostelijk deel van Marokko en als we eenmaal met de boot zijn overgestoken moeten we nog uren reizen tot we in ons dorp zijn.”
“En reizen jullie dan ook met zo’n enorme toren op het dak van je auto?”, vraag ik nieuwsgierig. “Nee, zegt Youssef, dat was vroeger. Nu niet meer omdat ons huis af is.”
Klasgenoot Wouter haalt zijn mobieltje tevoorschijn en mobieltjes zijn in de klas niet toegestaan. Maar nog voordat ik kan roepen: “Weg met die mobiel”, houdt hij hem al omhoog en toont ons een foto van zo’n torenhoog beladen auto.
Hollandse boerenkaas
De klas is een en al belangstelling en dat is toch wat alle docenten zouden moeten willen: echte interesse van alle leerlingen, ook al gaat het even niet over de Spaanse grammatica.
Youssef vertelt verder dat ze deze zomer maar met zijn drieën waren omdat hun moeder en zusje met het vliegtuig gingen. Barcelona in om de stad te zien of even stoppen bij een strand voor een frisse duik deden ze niet: “Want we wilden natuurlijk zo snel mogelijk in Marokko zijn.” Niemand lacht of kijkt hiervan op. Ook de in dezelfde klas zittende Hollandse-boerenkaas-leerlingen niet.
Ik geef al heel lang les op een school in Amsterdam-Zuid. Gedurende de jaren heb ik de leerlingenpopulatie zien veranderen. Vroeger hadden wij nogal wat Chinese leerlingen bij ons op school, maar tegenwoordig hebben de Chinezen grotendeels plaats gemaakt voor Marokkaanse leerlingen.
Zij vormen vaak een levendig element in de les en in mijn lessen Spaans zijn ze ronduit enthousiast omdat zij zichzelf herkennen in de taal; veel Spaans lijkt namelijk op het Arabisch. Woorden als almohada (kussen), alcázar (paleis) of almeja (mossel) zijn voor hen een feest der herkenning evenals de flamencomuziek met nogal wat Arabisch klinkende uithalen. Dat maakt hen extra gemotiveerd voor Spaans.
Alle Marokkanen het land uit
Wat verder opvalt is dat de verschillende nationaliteiten in de klas met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid met elkaar omgaan. Natuurlijk zie je op het schoolplein ook groepjes Nederlanders die naar elkaar toetrekken of Marokkanen die elkaar opzoeken. Maar steeds vaker zie ik dat het allemaal door elkaar loopt en dat rechtse ideeën als ‘alle Marokkanen het land uit’ blijkbaar geen vat krijgen op het overgrote deel van onze leerlingen en dat geeft hoop voor de toekomst.
Vroeger waren het de Molukkers of Surinamers die in een fout daglicht stonden en nu zijn het de Marokkanen. Gewoon nog een paar generaties wachten denk ik, en niemand heeft het er meer over. Maar misschien komen dan (opnieuw) de Chinezen.