Thursday, February 21, 2013
Wednesday, February 20, 2013
Land van slangen
Afrika
bestond al lang voordat God er arriveerde van waar hij zich eerder bevond. Dat
wist Mutombo. En daarom liet hij de zojuist aangekomen blanken links liggen met
hun ideeën. Zij waren aangekomen met koffers, laarzen en kruizen, aan het einde
van de regentijd. Toen ze hun eerste huis bouwden en er zich installeerden,
openden zij de koffers waar ze hun kruizen uit te voorschijn haalden en
begonnen vervolgens te prediken over ‘de verlosser’. Dat was een klein mannetje
dat zijn leven had gegeven voor zijn volk. Althans, dat was wat Mutombo begreep
toen de pater voor het eerst over die verlosser sprak.
“Zei je
dat het een klein mannetje was?”, vroeg de zojuist vanuit zee gearriveerde man.
“Laat mij
niet iets herhalen wat ik al duidelijk zei”, antwoordde Mutombo zonder de pater
aan te kijken.
“Hij gaf
zijn leven voor ons”, probeerde de pater hem te overtroeven.
“Nou, dat
had hij dan beter niet kunnen doen. Hij had ons eerst moeten vragen of wij ook
wilden dat hij ons dat offer bracht, want wij hadden de zaak hier onderling al
heel anders opgelost”, reageerde Mutombo.
Dit
maakte de pater wanhopig en hij deed alsof hij een kruis in de lucht sloeg.
Eerdere keren waarop hij door de antwoorden van Mutombo van zijn stuk gebracht
was, had hij een kruis op zichzelf geslagen. Maar Mutombo schrok er niet van,
en hij bleef voet bij stuk houden tegenover de man die vanachter de horizon was
gekomen.Toen ze allebei zwegen, bleef de pater in alle hoeken en gaten van zijn hoofd naar woorden zoeken om Mutombo van zijn gelijk te overtuigen. Maar Mutombo had zoveel woorden in zijn hoofd dat hij er alleen maar uit de hoefde te kiezen om te reageren op de voorstellen van de pater. Die zei op een keer tegen Mutombo dat zijn mensen erg belangrijk waren omdat zij het offer hadden gebracht hun land, familie en vrienden te verlaten om het geloof van de verlossing te verkondigen. Belangrijker dan alle mannen en vrouwen van dat door de verlosser en zijn vader vergeten dorp. Mutombo liet zich echter niet van de wijs brengen. Hij zei alleen tegen de pater dat hij wel moest bedenken dat zij zich in het dorp konden vestigen dankzij zijn kracht en inspanning en dat ze moesten ophouden zich zo belangrijk voor te doen, als zij niet wilden dat het dorp hen moe werd en de bewoners zouden besluiten naar elders te verhuizen.
“Wij
waren belangrijker voordat we jullie hielpen met jullie koffers en zonder ons
zouden jullie niet overleven in dit land vol slangen. En dat terwijl wij jullie
niet lastig vielen met de dingen die wij geloven!”
De pater
zuchtte, streek zich langs zijn baard en bedacht dat wanneer Mutombo zijn
opvattingen zou delen met zijn landgenoten, hij wel kon inpakken. Maar hij
geloofde nog steeds dat hij de plicht had het nieuws van de verlosser der
wereld te verkondigen en zwoer die taak te volbrengen. Onder hen die aangekomen
waren in het land van Mutombo bevond zich echter een vrouw die extreem bang was
voor slangen. Als zij zou horen wat er werkelijk in deze contreien aan de hand
was, zou de kans dat ze er konden blijven minstens halveren. De angst voor slangen
was krachtiger dan wat ook. Daarom streek de pater zich niet alleen langs zijn
baard, maar ook langs zijn hoofd, zoekend in alle gaten gevuld met de woorden
en ideeën die hem moesten helpen zich succesvol te redden uit deze benarde
situatie. De verlossing van Jezus Christus moest op geen enkele manier in
gevaar komen door de hoeveelheid slangen op deze aarde. Zijn dood aan het kruis
moest ergens toe dienen, zeker als het ging om een zo verheven zaak als het
redden der zielen.
Op een
dag trok Mutombo het oerwoud in met zijn kapmes. Al kappend drong hij door in
het dichte woud. Hij keek niet om; liep, liep, liep, liep, liep, en hoorde pats! een geluid achter hem. Als kenner
van het oerwoud deed hij twee snelle stappen om een goede schuilplaats te
vinden waar hij zich kon verstoppen, om goed contact te kunnen maken met zijn
achtervolger. Toen hij nog een geluid hoorde knipperde hij met zijn oogleden,
en toen dat knipperen met zijn oogleden ophield verscheen daar, whaaaam, de figuur van de pater. De
pater was hem gevolgd en door die lange achtervolging zweette hij zoals hij bij
zijn verlossingstaak in andere dorpen nog nooit had gezweet. Bovendien had hij
niet veel ervaring als het ging om lopen door het oerwoud. Het zweet stroomde
als een rivier langs zijn lichaam en hij ademde alsof hij achter honderd jonge
wilde zwijnen had aangehold, zonder zich op een enkel zwijn te richten. Mutombo
zei niets toen hij hem zag. Hij liet alleen het kapmes zakken dat hij eerder
omhoog had gehouden om de strijd met zijn achtervolger aan te gaan. En omdat
dit geen gewone ontmoeting was groetten ze elkaar niet. Mutombo wachtte tot de
pater sprak.
-“Mutombo,
we moeten praten.”-“Spreek pater.”
-“Heb je
het gehad over de slangen? Ik geloof dat je over ze gesproken hebt”, zei de
pater alsof hij daar nog aan twijfelde.
-“We
bevinden ons in een land van slangen.”
-“Maar
waarom heb je mij dat niet eerder gezegd? Ik weet niet of ik moet zuchten eer
ik me op het hoofd krab, maar wij riepen dat ontrouwe beest al lang geleden uit
tot eeuwige vijand. In onze zaken kwam het altijd tussenbeide. Door zijn schuld
werd de eerste mens uit het paradijs verstoten, nog voordat de wond van zijn
rib was genezen. Waarom vertelde je ons niet eerder van die slangen? Dan hadden
we ons nog voor onze komst kunnen bedenken.”
-“Maar we
wisten niet dat jullie zouden komen. Hoe kon je dan verwachten dat iemand
jullie op de hoogte zou brengen van onze gewoontes?”
-“En wat doen
we nu? Waar zijn de slangen?”
-“Ik
sprak al eerder achter de rug om van mijn mensen en wil daar niet mee doorgaan.
Laten we naar het dorp gaan.”
En zij
gingen opnieuw op pad. Mutombo voorop met zijn kapmes, de pater achter hem aan.
Ze liepen, liepen, liepen, liepen, liepen, liepen, en krakrakrakrakrakrakrak, kwamen aan in het dorp. Aldaar aangekomen,
sprak Mutombo met degene die in het dorp ging over de melding van belangrijke
zaken. Die greep twee stokken waarmee hij balanganaganagana
tam tam! sloeg en in een wip kwam heel het dorp bijeen. Mannen, vrouwen,
kinderen verzamelden zich in het dorpscentrum, in afwachting van wat de pater
ging zeggen. Zij hoestten, kuchten, en whooooo,
vielen uiteindelijk stil zodat de pater het woord kon nemen. Maar de pater
twijfelde en keek naar Mutombo, alsof die de woorden uit zijn mond zou trekken.
“Wat
wilde de pater het dorp vertellen?, vroeg Mutombo zonder veel gebaar, om te
laten zien dat dit voor hem een vreemde situatie was.
De pater
schraapte zijn keel, wreef langs zijn baard en vervolgens langs zijn hoofd om
de plek te zoeken waar de ideeën zich schuil hielden. Hij schraapte zijn keel
opnieuw, haalde een boek uit de tas en begon er uit voor te lezen. Hij las een
merkwaardig en vreemd verhaal. Zonder allerlei zijpaden in te slaan kan men
zeggen dat het verhaal er in hoofdzaak op neer kwam dat de Schepper van deze
aarde de mens schiep, die hij vervolgens liet slapen terwijl hij een rib uit
zijn lijf verwijderde, waaruit hij de vrouw schiep. Samen begonnen ze een
gelukkig leven, maar het pakte slecht uit voor de slang. Die begaf zich in de
richting van de vrouw en zei haar dat het een verrotte leugen was dat ze zouden
sterven als ze van de appel aten die groeide aan de boom die vlak voor hun huis
stond geplant. Terwijl de pater doorging met lezen, wees een onschuldig kind
met zijn hand in zijn richting en vroeg hem met heldere stem waarom de vader
van die mensen de boom die zo afgeladen was met dreigende vruchten niet
omkapte. Maar nog voordat hij zijn pientere vraag kon afmaken, ontving hij een
klinkende klap op zijn hoofd. Een reprimande die door alle aanwezigen unaniem
werd goedgekeurd omdat de kinderen in het dorp van Mutombo zich niet met
volwassen zaken mogen bemoeien, ook al bevinden zij zich onder volwassenen. De echo’s
van die welluidende klap vielen samen met de aftocht van vrijwel allen die
bijeen gekomen waren. Ze stonden op, schudden hun kont, en gingen huiswaarts.
Onderweg naar hun huizen sloegen ze elkaar om de oren met de redenen van hun
vertrek:
“De pater
zei dat de slang tegen de vrouw sprak”, merkte een vrouw op met haar handen in
haar zij, een houding die haar beslist goed stond.
“Hier!
Hier hebben ze een bot uit mijn man verwijderd waaruit ik ben geschapen. En hij
eet pas als ik op mijn knieën in de as van het vuur ga liggen”, zei een andere
vrouw die haar commentaar kracht bijzette met handgeklap en haar lippen vormde
op een wel heel speciale, vreemde manier.
“En hij
zegt dat de appels niet giftig waren, en toch kon men ze niet eten. Alsof de vogels
niet zouden weten wat ze moeten eten om niet dood te gaan.”
Heel het
dorp was opgestaan en uiteindelijke waren in het dorpscentrum alleen nog
Mutombo en de pater overgebleven. Omdat het vertrek van de dorpsbewoners nogal
luidruchtig was verlopen leek er geen twijfel meer mogelijk over de redenen van
hun massale aftocht. Allen geloofden dat de pater hen met dat verhaal voor de
gek gehouden had.
“En dan
nog wel hier, in het land van de slangen”, zeiden ze.
Toen ze om de waarheid te zien alleen nog hun ogen hoefden openen, opende Mutombo zijn handen richting de
pater en vroeg:
“Die man en die vrouw van het
verhaal waren toch de voorouders van de verlosser van de wereld, die voor ons
stierf om ons te redden?”
“Ja”, antwoordde de pater.
“Kom met mij mee, pater”, zei
Mutombo terwijl hij opstond. De pater klapte het boek dicht, deed het in de tas
en stond eveneens op. De twee trokken het oerwoud in terwijl ze nieuwsgierige
werden nagekeken door alle buren. Juan Tomás Ávila Laurel
Oorspronkelijke titel: ‘Tierra de serpientes’ (2010)
Tuesday, February 12, 2013
GROEPSGEVOEL
(con la ayuda de la mano jamón y queso)
Altijd een
hekel gehad aan groepsgevoel, maar ik weet nu pas goed waarom. Bas Heijne heeft
het in de NRC van zaterdag 10 februari [link] over groepswoede en waartoe die
leidt: “Eigen kaste eerst. Woede van buitenaf verstrekt de innerlijke
saamhorigheid alleen maar, vooral als die woede zelf een vorm van
groepsnarcisme is geworden.”
Raak! Ik las
dit terwijl ik verwikkeld was in een groepsdiscussie op internet. Twee jaar
geleden ben ik lid geworden van een groep die een schrijver steunde die in
hongerstaking was gegaan. De schrijver kwam uit een ver Afrikaans land waar ik hem
persoonlijk had leren kennen en dat schiep een band. Toen hij vanwege zijn
hongerstaking tegen het dictatoriale bewind in zijn land naar het buitenland
moest vluchten, stonden zijn facebook ‘vrienden’ in de rij om voor hem een
groep op te richten. In het kielzog van wat toen nog een Arabische Lente leek
stormden de leden toe, onder wie ikzelf. Alras ontpopte ik mij tot activist.
Het roer moest
om en Teodoro Ngeuma Obiang, de dictator om wie het allemaal begonnen was,
moest vallen. Woedend waren wij. Niet alleen over de wantoestanden in het
betreffende Afrikaanse land dat Ecuatoriaal Guinea heet, maar ook over de rol
die Spanje speelde in zijn voormalige kolonie. Stelletje hypocrieten die
Spanjaarden die uit dit land waren vertrokken zonder zich er verder om te
bekommeren, maar later wel wilden verdienen aan de olie die daar rijkelijk
vloeit. Tot in het obsessieve hield ik mij met het onderwerp bezig; las er alles
over en onderhield warme contacten met zowel Afrikanen als Spanjaarden. En al
snel had ik bereikt dat er ook in Nederland iets over naar buiten kwam in
Bureau Buitenland van de VPRO [link: http://weblogs.vpro.nl/villavpro/2011/02/18/berichten-uit-bloggistan-van-opstand-in-egypte-tot-hongerstaking-in-equatoriaal-guinea/].
Wat meteen al
opviel was dat bepaalde commentaren er niet doorkwamen in de groep. Niet dat
men censuur toepaste – want dan zouden we immers ‘net zo erg zijn als Obiang’ –
, maar dat men onwelgevallige
commentaren doodzweeg. De enige
Nederlander in de groep gold aanvankelijk nog als grappige vreemde eend in de
bijt met veel ‘likes’, maar het duurde niet lang voordat ook ik werd
doodgezwegen. Dat begon toen ik kritiek gaf binnen de eigen gelederen. Zoiets
doe je niet, want daarmee plaats je jezelf buiten de groep en dan is het exit!
Ik heb die houding een tijd gezien als Spaanse karaktertrek, maar zie het nu
als een algemene reactie los van elke cultuur.
“Exit”, dacht
ik gelukkig zelf ook en nog net op tijd, voordat anderen mij er uit konden knikkeren.
Toch kan ik het twee jaar later nog steeds niet laten mij af en toe te bemoeien
met de kwestie die inmiddels ‘onze strijd’ is gaan heten. Uiteraard steunt
niemand mij in mijn bijdrage aan deze ‘strijd’, wat ik ook zeg en hoe goed ik
dit ook verwoord.
“Eigen
kaste eerst”, schrijft Bas Heijne. En dat gaat om het gevoel, om het samen
kwaad zijn: “Het is best fijn om kwaad te zijn. Nog fijner: samen kwaad zijn.
Het allerfijnst: kwade mensen mobiliseren, om als eerste, borst vooruit, de
barricade op te klauteren, je gelegenheidstroepen aan te sporen met opzwepende
leuzen – en telefoonnummers van de vijand.” Hij heeft het niet over Ecuatoriaal
Guinea of over Afrika, maar over de SNS Bank en Jelle Brandt Corstius, een van
de journalisten die het niet langer pikten en “hun hooivorken uit de kast
haalden”. “Tijd voor revolutie”, roept Heijne, maar dat meent hij niet. Bas
Heijne weet natuurlijk al lang dat elke revolutie tot mislukken gedoemd is,
zeker in Nederland. Ook ik weet dat nu, al heb ik er twee jaar over moeten doen om het me werkelijk te realiseren. Twee jaar waarin ik mij ondanks mijn weerstand toch door dit groepsgevoel heb laten meeslepen.
Anita Brus
Wednesday, February 06, 2013
Una vez más Juan Tomás Ávila Laurel
Querido Juan Tomás Ávila Laurel,
Quiero recordarte lo que dijiste justo después de tu huelga de hambre. Querías volver a Guinea ya después de un mes. Después lo has repetido varias veces; ibas a volver en agosto, en septiembre, en enero... un año después. Y, ahora ya son casi dos años después. Te pregunto: ¿cuándo vas a volver para ayudar a tu gente? La (triste) verdad es que todavía te encuentras en Barcelona. Y ahora hablas en términos de blancos y negros. Claro que el poder está en manos de algunos blancos que no se preocupan mucho por los demás. A pesar de eso yo creo que no es asunto de blancos, ni negros. Es asunto de historia, cultura, estupideces de muchos; blancos, negros, amarillos y rojos. Sería una pena caer en esa trampa de los colores. Has tenido y todavía tienes oportunidades para afrontar el problema de Guinea a través de tu literatura. Una literatura que vale mucho más que esas repeticiones políticas que leo ahora de ti. Hay dudas con razón. “¿Vale la pena que sigamos hablando de este pais?” Y: “En realidad hay algo que no hemos dicho ya?” Yo diría que sí valdrá la pena seguir hablando de Guinea. Y tú eres él que elige la forma en la que escribes. El lector hace el resto.
Thursday, December 27, 2012
Bij de dood van Louis Th. Lehmann
Buenos
Aires voor en na gebruik
Tangogedichten van Louis Th. Lehmann
Door Anita Brus
Louis Theodorus Lehmann schreef de gedichten Buenos
Aires voor het gebruik en Buenos Aires (na het gebruik) in 1988. In
diezelfde periode schreef en vertaalde hij gedichten over Buenos Aires en de
tango en componeerde hij tango’s.
Ik kwam Louis Lehmann voor het eerst tegen bij de
jaarlijkse herdenking van Carlos Gardel, georganiseerd door de Asociación
Carlos Gardel van Jan Holleman en Juan Tajes. Zij wezen mij op de dichter, met
wie ik via zijn levensgezellin in gesprek kwam en van wie ik een boekje kreeg.
In dat boekje stonden de opgetekende radiopraatjes die hij in de jaren ‘90
hield voor de VPRO, omlijst met levendige tekeningetjes, soms van eigen hand.
Die radiopraatjes gingen over allerlei soorten muziek, variërend van Schotse
doedelzakken tot Argentijnse tango. Mijn interesse was gewekt, zeker toen ik
later hoorde dat Lehmann ook over Argentinië en de tango schreef.
Nu wil ik weten wat zijn interesse voor de tango inhoudt,
waar die vandaan komt en hoe dit tot zijn tangogedichten en composities leidt.
Ik zoek hem op in de Jordaan.
Louis Lehmann werd in 1920 geboren in
Rotterdam. Het was de tijd waarin de ontwortelde immigranten in Argentinië hun barrios
(volkswijken) bezongen. De tijd die ook daar leidde tot de crisisjaren, toen
Louis’ vader als zeeman de haven van Buenos Aires binnenvoer. In de eerste
strofen van Buenos Aires voor het gebruik lees je wat Louis via zijn
vader aan impressies bereikte:
Tunnels naar ver! Een bracht mijn vader vaak
uit Bunezères (zeetaal). Imposant
die Rivadavia huisnummers, want
tot in tienduizenden. Niet zo ’t gekraak
van schillen van veel pinda’s bij het bier
in de café’s daar, op de vloer in lagen.
Damesorkesten met zingende zagen
ook niet.
Het “voor het gebruik” slaat op Louis Lehmann
zelf. Het zijn de spaarzame indrukken die zijn vader overbracht (en hoe die
overkwamen), nog voordat hij die indrukken zelf kon opdoen. Het zou nog heel
lang duren, voordat hij zelf de stad kon bezoeken. Als kind moest hij het doen
met:
Wat uit een and’re tunnel komen zou;
de tango, klankvlaag uit een stad zo grauw
door ’t onbevredigend vaderverhaal.
In een interview zegt Lehmann dat hij als
zoon van een zeeman “voorbestemd was om niet naar zee te gaan”, omdat zeelui
maar één ideaal zouden hebben, namelijk een baantje aan de wal. Dus koos hij
voor een studie rechten, omdat je daarmee tenminste een goede baan kreeg. Hij
bleek echter weinig talent te hebben voor het recht en hoewel hij zijn studie
wel afmaakte, ging hij uiteindelijk een heel andere kant op: schrijven, muziek
en later ook archeologie (Lehmann promoveerde op latere leeftijd als
scheepsarcheoloog). “Ik begon al op mijn zestiende gedichten te schrijven en ik
trok de aandacht met een prozastukje over jazz in de schoolkrant. Het was een
reactie op een anti-stuk over jazz. De jazz vertegenwoordigt evenals de Griekse
rebetica, de Portugese fado en de Argentijnse tango niet de officiële
lijn in de muziek en spreekt mij daarom aan. Het is de muziek van de arme
wijken in de steden, van de haven en van de pooiers en hoeren. Merkwaardig dat
bij deze muzieksoorten de belangstelling vaak verschuift van de muziek
naar de maatschappelijke klasse, naar de personen die deze muziek maken.
Maar mij interesseert juist de muziek die aanvankelijk niet door het
establishment werd geaccepteerd.”
In1988 ging Lehmann zelf naar Buenos Aires.
Hij had toen al een essay geschreven over tango dat als volgt begint: “In
Europa heeft iedereen wel eens gehoord van de tango, maar haast niemand houdt
ervan.” Het was net voordat de tango hype hier begon, en misschien heeft hij er
destijds met zijn essay (gepubliceerd in 1982) wel het startsein toe gegeven.
Toen hij eenmaal in Buenos Aires was geweest,
kon hij beschrijven hoe die stad was “na het gebruik”. Eigenlijk hoeft dat “na
het gebruik” er niet meer bij en staat het bij het tweede gedicht tussen
haakjes. Het was nu enkel Buenos Aires, de stad van ’t asfalt van Leandro
Alem, waar waarschijnlijk ooit de paardentram reed door Tucumán en
Viamonte. Lehmann beschrijft zijn eerste bezoek aan Buenos Aires als volgt:
“Eigenlijk had ik langer in Buenos Aires willen blijven, maar ik kreeg
maagklachten, waarop ik besloot mijn verblijf te bekorten. Wel maakte de stad
in korte tijd veel indruk. Ik herinner mij nog dat ik een hotel had bij de
haven en dat aan de andere kant van de havenloodsen één straat omhoog liep naar
het centrum. Die straat
heette Leandro Alem, naar een Argentijns politicus uit de 19de
eeuw. Door die straat liepen oude rails die uit het asfalt staken.”
Daarover gaat het begin van het tweede
gedicht:
Als ’n karrespoor op ’t strand bij vloed in
zee
duikt onder ’t asfalt van Leandro Alem
een rest van rails in keienbed uit twee
straten. Reed hier weleer de paardentram
door Tucumán en
Viamonte?
“De tram reed er uiteraard niet meer. Ik liet
mij vervoeren in een taxi en we reden langs een Mormonenkerk en langs een
ziekenhuis, het Hospital Alemán.”
We hebben het over de tango en over de
nostalgie van de tango waarmee hij de rails in het gedicht vergelijkt. Hij
vraagt zich immers af of ze de rails hebben aangelegd als:
listig souvenir
ter koest’ring van tanguera nostalgie,
gelegd op quasi-slordige manier.
Lehmann zegt eigenlijk niet zo van
tangoteksten te houden: “Ik vind de teksten van de tango meestal afgrijselijk
sentimenteel.”
Het valt op hoe hij steeds door de
romantische mythes van de tango en de gaucho probeert heen te prikken. In zijn
essay schrijft hij dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, de tango
niet de enige ‘typische’ muziek is van Argentinië: “Men zou de tango zelfs als
een vreemd element kunnen beschouwen dat niet past in het favoriete Argentijnse
imago, dat traditioneel was: de gaucho, die een overwegende rol speelde
in de vele bijzonder bloedige, en sindsdien verromantiseerde burgeroorlogen van
de negentiende eeuw. Een zwierig gekleed moordenaar te paard heeft een beter
imago dan één in khaki op een tank, vooral als de eerste allang dood is.”
Als hij de tangoteksten zo overdreven
sentimenteel vindt, wat spreekt hem er dan in aan? “De melodie, bijvoorbeeld La
cieguita (Het blinde meisje), zoals het gezongen wordt door Carlos Gardel.”
Lehmann componeerde zelf tien tango’s voor piano. Voor een van die tango’s
vertaalde hij een gedicht van de Argentijnse Alfonsina Storni, die zich
verdronk in de Río de la Plata. Zij schreef mooie gedichten over Buenos Aires,
tragisch, maar niet sentimenteel, anders zou Lehmann ze niet hebben
gebruikt.
We bekijken tot slot wat afbeeldingen bij
tangopartituren. Lehmann heeft er vele, uit vervlogen tijden met afbeeldingen
van instrumenten, zangers, dansers, pierrots en jongetjes met ondeugende
gezichten: Alma de Badoneón, Eduardo Bianco der Tango-König, La Rubia, El
Candome en Cara sucia van Francisco Canaro. De laatste, met
het jongetje met het vieze, ondeugende gezicht, doet Lehmann herinneren aan de
tijd voor de oorlog: “Als je voor de oorlog tango’s op de radio hoorde waren ze
vrijwel altijd van Canaro.”
Tango dansen heeft Lehmann ook gedaan. Hij
leerde het op late leeftijd en werd ooit geëerd als oudste deelnemer van de
Academia de Tango. Helaas gaat het dansen niet meer. Het schrijven nog wel: in
maart komen er van zijn hand vertalingen uit van ‘niet rijmende sonnetten’ van
Alfonsina Storni, met titels als Porteño dans en River Plate in de
regen. Wie weet worden het tangoteksten. Tragisch, maar niet sentimenteel.
Buenos Aires voor
het gebruik
Tunnels naar
ver! Een bracht mijn vader vaak
uit
Bunezères (zeetaal). Imposant
die
Rivadavia huisnummers, want
tot in tienduizenden.
Niet zo ’t gekraak
van schillen
van veel pinda’s bij het bier
in de café’s
daar, op de vloer in lagen.
Damesorkesten
met zingende zagen
ook niet.
Maar dan beloofde hij soms hier
Wat uit een
and’re tunnel komen zou;
de tango,
klankvlaag uit een stad zo grauw
door ’t
onbevredigend vaderverhaal.
Geruchten,
twee, nu één, waarin ‘k nog vind
een barse
charme voor een zeeportaal
naar pampas,
paarden, treurnis en veel wind.
Buenos Aires (na
het gebruik)
Als ’n
karrespoor op ’t strand bij vloed in zee
duikt onder
’t asfalt van Leandro Alem
een rest van
rails in keienbed uit twee
straten.
Reed hier weleer de paardentram
door Tucumán en Viamonte? Wie
weet; is het
niet een listig souvenir
ter
koest’ring van tanguera nostalgie,
gelegd op
quasi-slordige manier?
De bus naar
Manzi’s tangowijk passeert
veel hoge
militaire ziekenhuizen.
‘Leg ze goed
vol!’ Denkt men naïef, begeert
meer sfeer,
wil die buurt niet zo snel verguizen.
Eén
okergele, trieste straat is wel
bezongen in
een tango van Gardel!
(La mina de la calle Pepiri)
Monday, December 10, 2012
Bureaucratie en veel bling bling
(nog maar eens weer onder de aandacht gebracht)
Verslag van een
verblijf in Guinea Ecuatorial
Het regent. In zijn huis staan overal flessen en emmers water. Hij is erg druk
met al dat water. We zouden naar buiten kunnen gaan om te douchen onder de
tropische regen, maar hij vangt de regen liever op in verschillende emmers.
Daarvoor moet hij vroeg opstaan. Ondertussen zet hij een pan met water op het
fornuis zodat we ons straks met warm water kunnen douchen. Mij geeft hij de
instructie de blauwe emmer te gebruiken, en niet de rode. De rode is gevuld met
regenwater en de blauwe met water uit de put. “Dat water is schoner en dus hygiënischer
om je mee te wassen”, zegt hij. “Het water uit de rode emmer kan gebruikt
worden om de wc mee door te spoelen.”
Een ‘douche’ in Guinea Ecuatorial houdt in dat je emmers water over je
hoofd giet. Maar met één emmer ben je alles meteen kwijt. Daarom drijft er in de
grote emmer altijd nog een kleinere versie, zodat je kleinere hoeveelheden over
je heen kunt gieten. Water is hier dus geen vanzelfsprekendheid. Eerder een
dagtaak. Er is nog veel meer geen vanzelfsprekendheid. Elektriciteit
bijvoorbeeld. Als wij ’s avonds aankomen bij zijn huis is het steeds weer
spannend. Brandt er licht? Nee, weer geen licht. Maar ook als het licht wel
brandt kan het elk moment uitvallen. Zijn huis bevindt zich aan de rand van de
hoofdstad Malabo op het eiland Bioko. Om het huis heen is het drabbig en
rommelig, zoals overal hier in deze Afrikaanse stad. Openbare voorzieningen
zijn er niet. Je arriveert niet met droge voeten. Ook niet met schone. Maar je
mag, als je thuiskomt, blij zijn dat je niet in een van de talrijke diepe gaten
gevallen bent die je hier overal aantreft in het wegdek. “Kijk naar de grond”,
waarschuwt hij voortdurend, en als we zijn huis betreden wast hij mijn voeten.
Met het water uit de blauwe emmer.
Hij is Juan Tomás Ávila Laurel, de enige kritische schrijver die nog in het
land woont. De rest is gevlucht voor de dictatuur. Ik ontmoet hem in de laatste
week van mijn verblijf in Guinea Ecuatorial. Hij schrijft over de corruptie, onvrijheid,
nalatigheid in de gezondheidszorg, gebrek aan water en elektriciteit, en andere
problemen die de bevolking heeft. Grote delen van de stad zijn ’s avonds aardedonker,
hoewel het met het licht tegenwoordig iets beter lijkt te gaan. Vroeger dromden
studerende scholieren samen onder de lampen van in aanbouw zijnde hotels, nu
zie je ze met hun laptops in de buurt van Sofitel Hotel, het zenuwcentrum van
de stad, en daarom de enige plek met een internet signaal. Ieder die ook maar
iets betekent in dit olierijke land, of andere belangen heeft, tref je in
Sofitel. L-3 Communications (een Amerikaans
veiligheidsbedrijf gelieerd zijn aan de CIA) heeft er een vast kantoor, pal
naast het zuurstok gekleurde paleis van de president. Ook Barack Obama wil er een
vinger in de oliepap houden.
De president, Teodoro Obiang Nguema Mbasogo, heeft in elke stad een paleis.
Zijn grootste paleis ligt in Bata, de belangrijkste stad in Río Muni, op het vaste
land. Het bevindt zich achter de muren van een gigantisch door militairen
bewaakt terrein. Een stad in een stad waar niemand mag komen. Langs de muren
wonen de militairen met hun gezinnen. Huizen die te hoog waren werden met de
grond gelijk gemaakt omdat ze het zicht van de president belemmerden. Om te
weten hoe het er achter de muren uitziet moet je er overheen vliegen. Toevallig
zit ik in het vliegtuig aan de goede kant bij het raam zodat ik de pastelkleurige,
klassiek aandoende gebouwen van bovenaf goed kan zien. Het complex heeft iets
van een taart, met zwembad en golfterrein, die het centrum vormt van een enorm
landgoed.
Bata heeft een hoog Disneygehalte. Oude Spaanse koloniale gebouwen worden
afgebroken en vervangen door absurde paleisachtige bouwwerken bekleed met
badkamertegels. Veel glanzende muren met abstracte patronen.
“Badkamerarchitectuur”, noemt mijn Amerikaanse begeleider het, volgens hem het
resultaat van een foute opvatting van westerse voorbeelden. Je zou het ook
gewoon ‘postmodern’ kunnen noemen, maar dan wel ‘Afrikaans postmodern’, met
veel bling bling. In het centrum van
Bata is er in dezelfde stijl een soort tuin aangelegd waarvan niemand weet waar
die toe dient, want je mag er niet naar binnen. Nogal wat gebouwen zien er
weliswaar blinkend uit, maar blijven lege omhulsels zonder doel. Faҫade
achitectuur die alleen bedoeld lijkt om te imponeren.
Bling bling zit hier in alles. Je ziet niet alleen veel glans en
spiegelglas in gebouwen, maar ook veel glimmende en glanzende kleding, en wegen
die worden opgesierd met nutteloze markeringen en talrijke rotondes. In
Evinayong, een stadje op ongeveer twee uur rijden van Bata, logeer ik bij een
missionaris die ook computerprogrammeur is. Hij vertelt dat, als men zich al
een computer kan veroorloven, die pas interessant wordt gevonden als er blitse
programma’s op zitten. Of die programma’s het ook doen op de vaak verouderde
computers doet er niet toe.
Ik vraag mij af of de bureaucratie en voorliefde voor stempels ook te maken
heeft met de Afrikaanse behoefte aan glitter en glamour. In het bureau voor
toerisme in Malabo, dat overigens een kaal kantoor blijkt, tref ik een
gemoedelijk ogende functionaris omringd door hoge stapels papieren. Ik heb
documenten nodig om te kunnen reizen en fotograferen. “Dat wordt heel moeilijk”,
geeft hij mij te kennen: “want de ministers die moeten tekenen zijn er niet.”
Die blijken op congres te zijn, elders in het land. Maar misschien, als ik heel
erg mijn best doe. Hij verwijst mij naar de Tesorería
General (staatskas) om de nodige papieren te halen. Als ik daarmee over een
halve week terugkom kan hij kijken wat hij voor mij kan doen. Ondertussen leunt
hij met een sigaret op zijn lippen gerieflijk achterover, wijzend op een
vergeelde foto van zijn kinderen toen ze nog jong waren en al babbelend over
voetbal.
De papieren die ik koop in het half ronde spiegelgebouw van de Tesorería zien
er boeiend uit. Toch is het niet meer dan weliswaar chique, maar leeg
briefpapier met bovenin een geprint wapen van de República de Guinea Ecuatorial. Daarbij krijg ik een soort waardebonnen
die ‘timbre de estado’ heten, met daarop vermeld ‘betaling aan de staat’. Men
geeft mij de instructie de brief te richten aan de ‘weledelgestrenge minister’,
waarna deze met de waardebonnen kan worden ingeleverd bij Toerisme. Ik ga dus
weer terug naar de man achter zijn bureau die op dat moment een nogal theatrale
speech houdt tegenover zijn personeel. Na een tijdje mag ik binnenkomen en
begint alles weer van voor af aan. Ik krijg opnieuw te horen hoe moeilijk het
is om toestemming te krijgen, hoe het met zijn kinderen gaat die inmiddels
volwassen zijn, en hoe geweldig het is dat het Nederlands elftal doordrong in
de voetbalfinale. Toch bekijkt hij de door mij overhandigde papieren zorgvuldig,
of doet in ieder geval alsof. Ze krijgen zijn goedkeuring en hij niet ze aan
elkaar. “Het wachten is nu op de minister”, zegt hij. En ik moet over enkele
dagen nog maar weer eens terugkomen. Zo gaat dat dus in een bureaucratische
dictatuur. Het sleutelwoord is geduld. “Heb geduld”, adviseert men mij steeds
als ik weer een of ander document nodig heb. De verlenging van mijn visum
bijvoorbeeld. Ook daarvoor moet er een brief met stempels naar de minister. En
dat gaat via de Policía Nacional, het
politiebureau in een modern gebouw aan de rand van de stad waar de jungle begint.
De brief kan ik dit keer laten schrijven. ‘Por una Guinea mejor’ staat er
onder; voor een beter Guinea. Maar daarmee ben ik er nog niet. Dit keer is de
betreffende minister ‘ziek’ en kan daarom niet tekenen. Ik probeer zonder
omkoping voor elkaar te krijgen dat men mij de gevraagde verlenging geeft.
Daarvoor leg ik diverse bezoeken af aan het politiebureau en uiteindelijk lukt
het alleen met een diep decolleté. Maar zo gaat het alleen in Malabo. In Bata
moet ik mijn visum opnieuw verlengen en daar helpt zelfs geen decolleté. Men
stelt zich er eerder vijandig op. Er heerst een sfeer van ‘wij niet naar
Europa, jullie niet hier’. Dat wordt mij ook letterlijk te verstaan gegeven en
men weigert mij botweg te woord te staan. Eerder verkregen papieren worden
gewoon ongeldig verklaard. Geen beginnen aan en ik besluit het visumprobleem daarom
maar uit te stellen. Visa worden steeds voor vijftien dagen uitgegeven en mij
resten nog tien dagen. Daarna zien we wel weer verder.
In het binnenland reis ik naar het natuurpark Monte Alén. Daar zouden
gorilla’s zijn, maar de enige gorilla die ik te zien krijg is de gorilla
afgebeeld op het shirt van de directeur van het park. Hij loopt ook een beetje
als een gorilla. Voor echte gorilla’s en olifanten moet je diep de jungle in en
dat is helaas niet mogelijk omdat de overnachtingsplekken daar in verval zijn.
Er kunnen slechts korte tochten gemaakt worden die niet ver genoeg het oerwoud
ingaan om de in mijn gids beloofde wilde dieren te zien. Die vluchten bovendien
voor het helse kabaal van de weg die er wordt aangelegd door de alom in het
land aanwezige Chinezen.
Hier in het afgelegen binnenland is de moraal losjes. In het dorp wil de
eigenaresse van de bar haar man wel een nachtje aan mij uitlenen. Opdat ik me
hier niet zo alleen zal voelen. Man in kwestie zit tegenover mij en hoort het
gelaten aan, terwijl zij haar kind de borst geeft. Er wordt flink bier
gedronken. Nogal wat mannen zijn half of helemaal dronken en de vrouwen gaan
schaars gekleed. Borsten puilen zonder enige gêne uit de decolleté’s.
Op deze afgelegen plek kook ik zelf. Maar er is ook een kok die mij leert
koken op zijn Afrikaans. Geen water en geen theedoek. Zo af en toe wordt er
bestek afgeveegd aan een niet al te schone doek en ik maak de groenten schoon
met mineraalwater. Tijdens het koken valt om de vijf minuten het licht uit. In
deze omstandigheden voel ik mij erg onhandig, maar ik weet uiteindelijk toch
nog iets acceptabels klaar te brouwen tussen de licht-uit-licht-aan intervallen
door.
Terug in Bata is er in ieder geval weer meer licht. Toch besluit ik nog een
ander avontuur aan te gaan. Ik reis naar Corisco, een eiland dat behoort tot
Guinea, maar voor de kust ligt van Gabón. De vraag is hoe de oversteek te maken
van het vaste land naar dit eiland, en hoe er uit handen te blijven van de
militairen. Ik draag een aanbevelingsbrief bij mij van de Spaanse consul en een
brief van een van de directeuren van Somagec,
een Marokkaans bedrijf dat op dit eiland een vliegveld aanlegt. Zij kunnen mij
vervoeren per boot. Ik kan echter mee met een Spaanse groep die een cayuco (soort grote kano) heeft gehuurd
en kom drijfnat aan.
De Marokkanen van Somagec zijn op het eiland de grote boosdoeners. Zij
bouwen hier een buitenproportioneel vliegveld met een landingsbaan waarvoor de
helft van het eiland moest worden gekapt. Hoewel dit Marokkaanse bedrijf de
president helpt het eiland te verpesten, zijn hun werknemers erg aardig. Als ik
met ze terugreis op een sleepboot naar het vaste land, hoor ik veel over de
presidentiële plannen. Samen met de koning van Marokko wil Obiang hier een
paleis bouwen. Het enorme vliegveld zou alleen voor henzelf bestemd zijn. Om
indruk te maken op Gabón, wordt mij verteld. Protserig gedrag op hoog niveau. Ook
hier schijnt olie te zitten en het gaat er om wie daar aanspraak op kan maken.
De grens tussen Gabón en Guinea Ecuatorial is nooit definitief vastgesteld, en
puur machtsvertoon moet laten zien wie de baas is over het eiland. De president
heeft om dit grensconflict te beslechten een advocaat uit Washington laten
overvliegen. Ik spreek die advocaat een week later in Sofitel Hotel.
In Sofitel Hotel is het een komen en gaan van zakenlieden, al dan niet aan
de CIA gelieerde Amerikanen en hoogwaardigheidsbekleders uit diverse Europese
en Afrikaanse landen. Na mijn reis door de binnenlanden en naar Corisco denken de
Amerikanen dat ik een spion ben van de Nederlandse geheime dienst. Want wie
gaat er nu op vrijwillige basis naar een dictatuur als Guinea Ecuatorial?
In de buurt van een van de paleizen van de president worden we aangehouden
door militairen. We bevinden ons in een gehuurde auto met chauffeur, en een van
de inzittenden wil het paleis wel eens van dichtbij zien. Zo rijden we wellicht
met te veel toeristische aspiraties langs de openstaande slagbomen. Dom, maar
geen misdaad. De groep die ons tegenhoudt, waarvan enkelen met bier en slechts
een enkeling in uniform, denkt daar echter anders over. We bevinden ons op het
terrein van de president en hebben ‘een serieus probleem’. Het betekent paspoorten
inleveren, dreiging en intimidatie. De Amerikaan kiest al snel voor de
Amerikaanse oplossing en betaalt een absurd hoog bedrag om uit de val te raken.
Ze laten ons gaan. Maar daarmee zijn we er nog niet: een eindje verderop staat
een tweede groep die hetzelfde doet. Dit keer zijn ze allemaal in uniform en
bewapend. De Amerikaan betaalt opnieuw.
Dit gebeurt in Moka, op het eiland waar de Bubi stam in de meerderheid is.
De Bubi’s zijn aardig. Voor het paleis incident werden we heel vriendelijk
ontvangen door een Bubi onderwijzer die ons enthousiast rondleidde in zijn
school en vertelde over de Bubi cultuur. Toch werden we een moment later door
de militairen ‘uitgekleed’. De grens tussen hemel en hel is hier flinterdun.
In Guinea Ecuatorial wonen meerdere etnische groepen. De belangrijkste zijn
de Bubi’s en de Fang. Die groepen mengen zich nauwelijks en staan vaak
wantrouwend tegenover elkaar. De Fang vormen de grootste groep en worden gezien
als dominant. Zij zien de Bubi’s als nederig en laf. De eilanden Corisco en
Annobón (het meest afgelegen eiland) hebben hun eigen stammen en een eigen
taal. Het helpt de eenheid in het land niet bevorderen. Al helemaal niet omdat
men in de eerste plaats voor zijn eigen familieclan zorgt.
De president en zijn familie behoort tot de Fang. Hij heeft een hele reeks
kinderen, broers en zussen die hij tevreden moet stellen. Allen wonen in grote
huizen of paleizen, soms ook in het buitenland. Het land is rijk door de olie
en toch zijn de meeste bewoners er arm. Zij worden in het gareel gehouden door
onderdrukking. Ik ben nog in het land als in de buurt van Malabo vier
militairen worden geëxecuteerd, nadat ze voor een militair tribunaal zijn verschenen
op verdenking van de beraming van een staatsgreep. Ik hoor dat hun lichamen zijn
gedeponeerd in een massagraf zonder dat hun families afscheid hebben kunnen
nemen.
Zenuwen als ik het land verlaat. Bij de paspoort controle bestudeert een
nors kijkende douanebeambte nauwlettend alle verzamelde visa in mijn paspoort
om tot de conclusie te komen dat mijn laatste visum een permanent visum zou
zijn in plaats van een toeristenvisum, en dus niet geldig. Ik smeek hem mij te
laten gaan. Uiteindelijk zet hij met tegenzin de stempel voor de uittocht. Ik snak
ondertussen naar beschaving.
Saturday, November 24, 2012
Saturday, October 27, 2012
Sunday, September 16, 2012
Un viaje a Guinea Ecuatorial (charla para La Tertulia en Amsterdam)
Voy a comenzar con un poema de León Felipe, poeta de la Generación '27:
Escuela
He dormido muchas noches, años, en el África Central,
allá en el golfo de Guinea, en la desembocadura del Muni,
acordando el latido de mi sangre
con el golpe seco, monótono y tenaz
del tambor prehistórico africano
de tribus indomables . . .
He visto a un negro desnudo
recibir cien azotes con correas de plomo
por haber robado un viejo sombrero de copa
en la factoría del Holandés.
Este
poema de un poeta no bastante conocido de la Generación '27 contiene todos los
ingredientes; la aventura, historia y literatura, de mi charla de hoy en La
Tertulia:
La aventura en un país remoto 'en el África Central, allá en el golfo de Guinea y la desembocadura del Muni' que te hace latir e incluso helar la sangre. Eso ya sabían los primeros colonizadores y viajantes, descritos como 'turistas en busca de emociones fuertes'. Creo que yo era una turista así, aunque cuando salí a Guinea Ecuatorial todavía no me di cuenta de 'las emociones y experiencias fuertes' que iba a vivir...
La literatura a la que pertenece el
poema, en este caso escrito desde el punto de vista de los españoles. León
Felipe permaneció dos años en Guinea Ecuatorial, de 1920 hasta 1922, donde
trabajaba como encargado colonial en la asistencia sanitaria. Y había algunos
escritores españoles más que escribieron sobre Guinea, como por ej. Miguel de
Unamuno, que escribió en 1920 una introducción para el libro 'En el país de los
bubis' de José Más, hombre de negocios que vivía desde su juventud en la isla
Farnando Poo, hoy en día Bioko. Unamuno nos da una buena impresión del pensar
de aquel entonces, que pone lo salvaje frente a la civilización a través de los
libros:
"Hay en este libro,
lleno de interés como todos aquellos en que un espíritu de veras poético nos cuenta
casos y cosas de países de salvajes, un largo pasaje sobre la primera caja de libros
que llegó para la venta a Fernando Poo, pasaje que más de una vez tendremos que
recordar. Los anteriores colonos de la isla tropical africana no tenían libros; 'nos
aburre la lectura' le decían a José Más; pero éste, a quien fue la lectura la
que le lanzó a los doce años a su vida aventurera, deseaba libros para alimentar su
fuente de acción, porque él vivía y los otros se dejaban vivir; él era un emigrado,
los otros emigrantes. Escribió a su casa pidiendo libros y le enviaron unas cuantas
novelas."
Todo eso desde el enfoque
de los españoles, y surge la pregunta que también existía una literatura
producida por los Guineoecatorianos (o Guineanos) y originales habitantes del
país. De eso les voy a hablar, pero quisiera comenzar con mi propia aventura en
el país que ha sido mi primera experiencia en África, mezclado con un poco de
historia.
Guinea Ecuatorial es un
pequeño país (tiene un poco más que un millón y medio de habitantes) en el
oeste de África entre Camerún y Gabón. Consiste en algunas islas como Corisco,
Annobón y Bioko (antigua Fernando Poo) donde se encuentra la capital Malabo
(antes llamada Santa Isabel). La segunda más grande ciudad es Bata en Río Muni
o Mbini.
Es el único país de África que
tiene al español como idioma oficial en su constitución (porque fue una colonia
española), pero también existen idiomas locales de los tribus como el fang, bubi, benga, ndówe, y el
pidgïn english que es una mezcla del inglés con el español, que tiene su origen
en los braceros nigerianos que vinieron antes para trabajar en el cacao.
La aventura
Mi propia aventura la he
escrito en un tipo de cuento bajo el título 'Burocracia y mucho bling-bling'
que comienza así:
"Una ducha en Guinea Ecuatorial quiere
decir echarse baldes de agua en la cabeza. Pero no te puedes echar todo el
balde de una vez porque se pierde el agua, por eso siempre se ve flotando en el
cubo grande otro más pequeño, para que puedas dosificar las cantidades.
El agua
aquí no es algo natural, es una tarea diaria. Y hay muchas cosas más que no son
naturales. La electricidad, por ejemplo. Cada vez que llegamos a la casa [la
casa de Juan Tomás Ávila Laurel a quien visitaba varias veces] hay una cierta
tensión. ¿Habrá luz? No, otra vez no hay luz. Pero incluso cuando hay luz,
sabemos que puede irse en cualquier momento. Su casa se encuentra al borde de
la capital, Malabo (en la isla de Bioko). Hay fango y desorden en el camino a
su casa. Lo mismo que en toda la ciudad en donde no parece haber medidas
públicas. Nunca llegas con los pies secos, ni limpios, pero contento porque no
te caíste en uno de los tantos huecos
profundos que tiene el pavimento."
Ya dice mucho de las circunstancias bajo las
que la mayoría de sus habitantes vive. Pero el país tiene más caras. También
conoce una riqueza enorme que se nota en algunos edificios oficiales. Son
edificios en Malabo y Bata que yo en mi relato llamaba edificios de
'bling-bling':
En muchos países hay grandes diferencias
entre pobres y ricos, pero en Guinea esas diferencias son extremos. La causa la
encontramos entre otros en el petroleo:
El presidente, Teodoro Obiang Nguema Biyogo (que es fang),
un militar formado en los valores franquistas de la Academia Militar de
Zaragoza, llegó al poder el 3 de agosto 1979 gracias a un golpe militar, el
llamado 'golpe de la libertad'. Puso fin al terrible régimen de su tío
Francisco Macias Ngeuma Biyogo, el primer presidente de Guinea desde la independencia
de España en 1968. Macías fue asesinado después por Obiang, su propio sobrino,
que inició una nueva dictadura en la que se enriquezó cada vez más como había
hecho su tío; y aún más, cuando en 1996 la multinacional estadounidense Mobil comenzó la
extracción de petróleo en el territorio ecuatoguineano, lo que llevó a un
aumento considerable de ingresos para el país. Guinea Ecuatorial hoy en día es
el tercer productor de crudo del África subsahariana tras Angola y Nigeria
(con una extracción estimada de 300.000 barriles de petróleo diarios) y es el
país con mayor renta per cápita de África.
Sin embargo, la riqueza no está sirviendo para mejorar las condiciones económicas
de la población, sino ha servido para fomentar ese 'bling-bling' oficial y
personal, para dar cierta 'legitimidad' internacional al régimen con visitas de
representantes de los gobiernos de EEUU y España, entre otros.
Con todo 'su petróleo' Obiang se cree un dios: En Julio de
2003, la radio estatal anunció que: 'El presidente es un dios que está en
contacto permanente con el todopoderoso, y puede matar a cualquiera sin que
nadie le pida cuentas y sin ir al infierno, porque es el Dios mismo'. Ya dice
todo.
Yo escribo sobre mi viaje:
"El presidente Obiang tiene un palacio en cada
ciudad. Su palacio más grande está en Bata (la ciudad más importante en Río
Mundi, en la tierra firme). Se encuentra tras los muros, en un terreno
gigantesco vigilado por militares. Una ciudad en una ciudad en la que nadie
puede entrar. Al lado de los muros viven los militares con sus familias. Las
casas demasiado altas las destruyeron porque le quitaban la vista del
presidente. Para saber lo que hay detrás de los muros se tiene que cruzar en
avión. Por coincidencia yo me encuentro en el avión al lado de la ventana por
donde puedo ver los edificios color pastel y estilo clásico. El conjunto de
edificios tiene algo de una tarta con piscina y terreno de golf que forma el
centro de una finca enorme."
Traté de viajar en un país así, gobernado por militares y con poca libertad que me ha costado dinero y esfuerzo e incluso nos robamos. Las dificultades ya comenzaron en la llegada a Malabo. Sólo me habían dado un visado para dos semanas y quería quedarme cinco semanas. Para eso tenía que pasar por mucha burocracia:
Traté de viajar en un país así, gobernado por militares y con poca libertad que me ha costado dinero y esfuerzo e incluso nos robamos. Las dificultades ya comenzaron en la llegada a Malabo. Sólo me habían dado un visado para dos semanas y quería quedarme cinco semanas. Para eso tenía que pasar por mucha burocracia:
Los papeles que compro en el edificio de cristal
reflectante y semi redondo tienen un aspecto fascinante. De hecho es
papel ciertamente distinguido aunque vacío, con sólo el escudo de la República
de Guinea Ecuatorial impreso en la parte superior. Ese papel va acompañado de
un tipo de bono que llaman ‘timbre de Estado’, mencionando ‘pago al Estado’. Me
dan la instrucción de escribir una carta al ‘excelentísimo ministro’, y
entregarla junto con los timbres a los del turismo. Entonces vuelvo al sitio
del señor en su despacho. Me deja entrar, y todo empieza de nuevo desde el
principio. Otra vez me dice cuán difícil es que me den un permiso para viajar,
me cuenta cómo están sus hijos que ya son adultos, y cuán maravilloso es que el
equipo de Holanda casi ganara el campeonato de fútbol. A la vez estudia mis
papeles con cierta precaución, o por lo menos finge hacerlo. Da su aprobación y
los grapa. “La espera ahora es la espera al ministro”, dice. Y me aconseja que
vuelva después de unos días.
Así es como suceden las cosas en una dictadura
burocrática. La palabra clave es ‘paciencia’. “Ten paciencia”, es lo que me
dicen cada vez que necesito un documento. La prolongación de mi visado, por
ejemplo. Para eso también se necesita enviar una carta con sellos al ministro.
Y eso va a través de la Policía Nacional, situada en un edificio moderno en las
afueras de la ciudad donde empieza la selva. Esta vez les dejo la tarea a
otros. Un escribano escribe la carta al 'excelentísimo ministro’. Pero eso no
es todo. Esta vez el ministro está ‘enfermo’, y por eso no puede firmar.
Intento que me den la prolongación sin soborno. Para eso tengo que visitar
varias veces la oficina de policía, y al final sólo tengo éxito porque me he
puesto un vestido muy escotado. En Bata hace falta pedir otra prolongación,
pero allí ni siquiera el escote ayuda. La actitud es más bien hostil. Hay un
ambiente de ‘nosotros no en Europa, vosotros no aquí’. Eso es lo que me dicen
literalmente e incluso se niegan a hablarme. Los papeles ya recibidos en Malabo
los declaran simplemente nulos."
Logré en viajar después con mucha ayuda; ayuda de los americanos que trabajaban en Malabo para 'asistir al presidente para mejorar su aparato militar' (siempre he pensado que en realidad eran del CIA), americanos negociantes en Malabo y Bata, una empresa marroquí que arregló mi transporte a Corisco, el consul español que me dio papeles oficiales para los militares en Corisco, y el Centro Cultural de España en Malabo que al final arregló mi visado.
Logré en viajar después con mucha ayuda; ayuda de los americanos que trabajaban en Malabo para 'asistir al presidente para mejorar su aparato militar' (siempre he pensado que en realidad eran del CIA), americanos negociantes en Malabo y Bata, una empresa marroquí que arregló mi transporte a Corisco, el consul español que me dio papeles oficiales para los militares en Corisco, y el Centro Cultural de España en Malabo que al final arregló mi visado.
Y a pesar de toda esa ayuda
nos robaron en Moka, en la isla Bioko:
"Cerca de uno de los palacios
presidenciales nos detienen los militares. Estamos en un coche alquilado con
chófer, y uno de los pasajeros quiere examinar el palacio de cerca. Así pasamos
las barreras abiertas, tal vez con aspiraciones demasiado turísticas. Estúpido,
pero ningún crímen. El grupo de militares que nos detiene, algunos con cerveza
y sólo unos en uniforme, tiene otra idea. Nos encontramos en el terreno del
presidente y tenemos ‘un problema serio’. Eso significa entregar pasaportes y
recibir amenazas e intimidaciones. El americano entre nosotros no espera y elige
‘la solución americana’.Paga una suma absurda para salir de la trampa y nos
dejan ir. Pero todavía no estamos: un poco adelante en el camino hay otro grupo
que hace lo mismo. Esta vez todos llevan armas y uniformes. El americano paga
otra vez."
A los finales de mi estancia visité Corisco
donde Obiang estaba destruyendo casi toda la isla con la ayuda de los
marroquies. Lo describí así:
"Los marroquies de la empresa Somagec construyen aquí un aeropuerto fuera de cualquira proporción con una pista enorme que ocupa media parte de la isla. Aunque esta empresa marroquí ayuda al presidente para joder la isla, sus obreros son muy amables. Cuando me llevan de regreso a la tierra firme me cuentan mucho de los planes presidenciales. Junto con el rey de Marruecos, Obiang quiere contruir aquí un palacio. El aeropuerto enorme sólo sería para su propio uso. Y para impresionar a los gaboneses, me dicen. Comportamiento ostentoso en nivel alto. También aquí resulta encontrarse petróleo, y de lo que se trata es quien puede reclamar ese petróleo. Nunca han establecido las fronteras con Gabón en definitivo, y un despliegue de fuerzas tiene que mostrar quien es el dueño de la isla."
"Después de mi viaje por el interior y a
Corsico los americanos me confunden con una espía para el servicio secreto
holandés. Pues, ¿quíen va a base voluntario a una dictadura como Guinea
Ecuatorial?"
Para dar mi historia un poco más contexto
sigo con un pequeño resumen de la historia y después les voy a contar algo de
la literatura guineana:
El
fondo histórico
La historia de la colonización comenzó con
los portugueses que exploraron el Golfo de Guinea en 1471. En ese año el
portugués Fernando Poo, que buscaba una ruta hacia la India, situó la isla en
el mapa y la bautizó 'Fermosa'. En 1472 los portugueses descubrieron la isla de
Pagalú a la que llamaron 'Ilha do Annobom' o 'Ano bom' (año bueno). Los
portugueses colonizaron las islas Bioko, Annobón, y Corisco en 1494, las cuales
convirtieron en 'factorías' o puestos para tráfico de esclavos. Hasta el año
1641 cuando vinieron los holandeses sin permiso para establecerse en Bioko,
centralizando desde allí el comercio de esclavos. Pero los portugueses
volvieron en 1648 para sustituir la compañia holandesa por una propia y
empezaron la venta de esclavos desde Corisco, con la ayuda del tribu benga de
esta isla. Siguieron con ese comercio en el siglo dieciocho, hasta 1778 cuando
tras el tratado de San Idelfonso y El Pardo cedían a España las islas junto con
los derechos de trata esclavista y libre comercio en el golfo de Guinea. Cambiaron
el nombre Fernando Poo en Santa Catalina.
Después, entre 1826 y 1832, los ingleses ocuparon las
islas de Corisco, Annobón y las
islas de Elobey (cerca de
Corisco) para 'luchar contra el
tráfico de esclavos', o sea bajo el pretexto de eliminar la competencia con los
otros poderes. Santa Catalina
la llamaron Port Clarence (hoy
Malabo). Pero los españoles volvieron y en 1858 llegó el capitán Carlos
Chacón como gobernador de origen hispano y España renovó su presencia en el
Golfo de Guinea. Sin embargo la ‘hispanización’ del territorio no empezaría
hasta años más tarde, con la llegada de los misioneros.
El periodo colonial duró hasta
los años sesenta del siglo veinte. En julio de 1964 España concedió a sus
provincias africanas la autonomía. A pesar de eso duró hasta el 12 de octubre
de 1968 cuando Guinea Ecuatorial accedió a la soberanía internacional. En ese
mismo año se organizaron las primeras elecciones presidenciales, resultando
elegido Francisco Macías Ngeuma. Hizo de Guinea Ecuatorial una
dictadura, se habla del ‘ngeumismo’ o afro-fascismo. En los años ’70
unas 110.000 personas, un tercio de la población, ya había huido del país. Y
después vino su sobrino Obiang del que ya hablábamos, con su hijo y sucesor 'el
ministro de Agricultura y Bosques del Gobierno' Teodorín al que llaman 'el
patrón' y del que se dice que "Si un día su excelencia lleva zapatos azules, probablemente ordena al
chófer que saque el Rolls Royce azul del garaje donde guarda sus 11 bólidos de
lujo"; que le gusta vestir como un dandy y combinar el color de
los zapatos con el del coche. Además no es el único hijo de Obiang; tiene unos
treinta más con distintas mujeres y a todos los tiene que cuidar bien.
A pesar de todo eso España mantiene
relaciones estrechas con Guinea. Fueron represantes del gobierno de Zapatero como
José Bono (anterior presidente del Congreso de los Diputados), y Trinidad Jiménez (Ministeria de Asuntos
Exteriores), mientras a otros que criticaban ese tipo de relaciones
como Rafi de la Torre de
Radio Exterior de España, cuyo programa era la única ventana de libertad para
decenas de miles de personas, los mandan
fuera (lo que hizo Aznar)]
La literatura
Pero con eso ya hablamos de
escritores guineanos, mientras que la literatura escrita por ellos comenzó muy
tarde; después de la guerra civil española, justo por el motivo ya mencionado.
Antes ya había escritores españoles (colonizadores) que escribieron sobre la
exploración y la explotación de Guinea. Las primeras expresiones literarias en
lengua castellana aparecen desde el comienzo de la colonización. Es lo que se
suele llamar el Africanismo literario o literatura colonial, que es lo escrito
por los exploradores, los funcionarios coloniales, misioneros y viajeros
aventureros.
En el comienzo de la colonización
aparecieron libros de viaje, crónicas, informes y memorias, y más tarde sobre
todo literatura misional (de los misioneros). El tema central de esos primeros
libros era el país Guinea Ecuatorial (o Guinea española como se llamaba el país
en la época de colonización) con protagonistas siempre idealizados y blancos,
mientras dan una visión negativa y paternalista de los Africanos que aparecen
retratados como seres inferiores. Es literatura dirigida al público de la metrópoli
que justifica la situación colonial que se conoce como 'cristianización y
civilización' de los 'pueblos inferiores'. Las primeras obras del africanismo
literario empezaron a aparecer en el siglo XIX, y es una literatura que sigue
apareciendo en el siglo XX. Incluso la literatura de la época postcolonial y
post-Franco muchas veces no se ha liberado del exoticismo y del romanticismo, y
muchas veces los autores nunca habían estado en Guinea. Un ejemplo es 'Historia
de una meastra' (novela en si simpática que salió en 1990) basada en la vida de
la madre de la autora Josefina Aldecoa como maestra en el campo española y en
Guinea, en la época justo antes de la guerra civil. Pero Josefina Aldecoa escribió
sobre Guinea sin haber estado allí.
En cuanto a los escritores de
origen guineoecatorianos:
Los primeros y anónimos literatos de la cultura guineana
eran los juglares, que de padres a
hijos y de pueblo en pueblo transmitieron sucesos épicos. Debido a la
tradición; la leyenda, la historia, la fábula,
el mito, han jugado un papel decisivo en el nacimiento de la literatura
guineana escrita. Las
primeras manifestaciones literarias se centraron principalmente en torno a la
revista misional La Guinea Española,
publicada por los misioneros Hijos del Inmaculado Corazón de María en el
Seminario de Banapá, en la entonces isla de Fernando Póo, hoy Bioko. El primer
número de esta revista salió en 1903 y en 1947 se comenzó con traducciones de
leyendas y historias para 'traducir el alma y la mentalidad de los nativos'. Pero
poco a poco los traductores incorporaron en sus traducciones algo suyo y
empezaron a manipular los relatos tradicionales. Así nació una propia
literatura guineana, aunque todavía ligada intimamente a las formas originales.
Esos primeros traductores o escritores sirvieron como puente entre el arte narrativo
tradicional del trovador (llamado en distintas zonas «griot» o «djéli») y el
arte narrativo occidental moderno dominado por la escritura.
Aunque poco a poco surge una literatura propia, los primeros autores guineanos no se mostraron muy críticos. Se diferían del resto de los escritores africanos por el enfoque en la narrativa y por la ausencia del combate o lo anticolonial en su literatura. Las primeras novelas guineanas salieron en los años cincuenta del siglo pasado, escritas desde una perspectiva europea. Así sus escritores rechazaban consciente o inconcientemente su propia identidad étnica (podría ser que eso también tenía que ver con el sistema colonial en Guinea que no pasaba de la enseñanza secundaria que estaba enfocada en la formación de seminaristas y funcionarios subalternos para la administración colonial).
Hay más poesía en el periodo
postcolonial:
Donato Ndongo-Bidyogo, que
también escribió una antología de la literatura de Guinea Ecuatorial, deja ver
una orientación que se aleja de sus propios raices en un poema que hizo en 1974:
Cántico
Yo no quiero ser poeta
para cantar a África.
Yo no quiero ser poeta
para glosar lo negro.
Yo no quiero ser poeta así.
Bajo Macías, en el 'periodo de
silencio' cuando no salió ningún libro en Guinea y cuando muchos murieron o
huyeron a España, sí se buscaba sus propios raices en la tierra violentada y
perdida desde el exilio:
Poema de Cristino Bueriberi
Bokesa (periodo 1969-1979):
Nostalgia de mi tierra
Me dirás tú, mar inmenso.
¿Dónde está mi bella tierra?
que
desde esta lejanía divisar
quiero con afán
marinera?
¡Oh!, ¿quien desvelar pudiera,
esta nuble que me anubla;
que a mi tierra cubre blanca,
oscura porosa y muda?
El veloz viento no sopla.
El sol ocultado está.
El cielo su rostro encubre.
Muge
rotunda la mar.
¡Tierra mía, tierra mía!
¡Qué
lejos estás de mí!
¡Mis ojos, suave, anhelan
fieles
tu verde verdín!
Los pájaros ya no cantan.
Ya no se oye su clarín.
¡Tierra mía, tierra mía!
¡Qué lejos estás de mí!
También hubo y todavía hay una
influecia de la situación política en los temas literarios:
Madre:
Dáme esa vieja lanza
Que usó el padreY el padre del padre
Tráeme mi arco nuevo
Y el carcaj repleto de flechas
Que parto a matar al tirano
Francisco Zamora Loboch ((periodo 1969-1979)
En la narrativa, se sigue
notando la influencia de la tradicción oral en la obra de unos autores. El origen oral hace que no se
pueda concebir el escribir sólo en función de su autorrealización, puesto que
se escribe desde y para su pueblo. Para los escritores guineanos, la literatura
es necesaria, independientemente de su valor estético (en la tradición oral
existe una perfecta simbiosis entre el narrador y su público).
Pero, los autores de hoy en
día ya no se inspiran del todo ni se apoyan profusamente, como la generación
anterior, en la literatura tradicional, sino que parten también de la realidad
más inmediata con sus contradicciones, e incorporan temas más universales. Un
ejemplo es Juan Tomás Ávila Laurel (novelista, poeta, autor de obras de teatro)
que usa la ironía y el sarcasmo en sus trabajos que son una crítica a la
sociedad guineana determinada por la colonización y dictadura. En su obra de
teatro 'Los hombres domésticos' (1994) un locutor de la radio local sufre
insoportables dolores de cabaza e incontrolables vómitos a causa de su constante
lectura de noticias falsas y mentiras abiertas. Y en 'Mar de ollas', uno de sus
'Cuentos Crudos' el gobierno anula por decreto todas las actividades de las
celebraciones navideñas que lleva a situaciones absurdos como el corte de las
trenzas de todas las mujeres con un 'cortatrenzas', sólo porque el gobierno ha
decidido que tienen que devolver todo lo comprado y arreglado, incluso los
peinados ya hechos.
Anita Brus
16 de septiembre de 2012
Subscribe to:
Posts (Atom)


































