Friday, May 18, 2012

De Marokkaanse Wilders

zie ook:

Aangekomen bij mijn Marokkaanse slager annex groenteboer zie ik dat ik mij vergis. Vanuit de verte dacht ik dat hij open was, maar als ik dichterbij kom zie ik dat het de kratten zijn van de buurman die ik voor de zijne hield. Mijn favoriete slager blijkt dicht.

Ik ben bijna verontwaardigd als ik zie dat mijn slager zijn ramen heeft dichtgetimmerd. Daar hadden die mannen, die zo trots leken op hun zaak, mij niets over gezegd. Pas geleden hadden ze mij nog extra goeie olijfolie beloofd die zij weldra uit Marokko zouden importeren. Geen woord over een op handen zijnde sluiting. Zonder echt goed te kijken, loop ik langs hun winkel naar die van de buurman om daar mijn boodschappen te doen.

De buurman lijkt op de Albert Heijn. Hij heeft een goed geoutilleerde winkel met twee kassa’s met lopende banden. Het assortiment is ruimer en misschien kwalitatief ook wat beter dan dat van mijn vaste adres. Bij mijn slager kocht ik wel eens sinaasappelen die van binnen half rot bleken. Toch kwam ik daar het liefst. De zaak werd gedreven door vier bijzonder aardige Marokkanen met wie ik inmiddels een band had opgebouwd. Ik was hun vaste Hollandse klant en het leek wel alsof ze daar een beetje trots op waren. Meestal kon er wel een extra bosje koriander vanaf en we voerden ook leuke gesprekken over Marokko, waar ik nog niet zo lang geleden was. Trots wezen ze mij op hun slagersdiploma en de hygiënische maatregelen die ze troffen, met een knipoog naar de oudste van de vier die nog met zijn blote handen in het vlees greep. Maar aan dat vlees mankeerde niets en het was ook nog eens heerlijk gekruid.

Het bezoek aan de buurman voelt een beetje als verraad. Ik struin wat doelloos langs de schappen, koop er het minimale en reken af zonder echt contact te maken met de meneer achter de kassa. Niemand die de boodschappen hier voor mij in een grote tas doet en ik loop, nadat ik dat zelf heb gedaan, enigszins verbouwereerd naar buiten richting de auto die ik wat verderop heb geparkeerd, voorbij de pui van de winkel van mijn vertrouwde slager. Pas als ik nog even opzij kijk, zie ik het. De ramen zijn niet alleen dichtgetimmerd, maar er liggen ook verschroeide resten van schappen voor de winkel. Er moet brand geweest zijn.

Ik besluit aan wat Marokkaanse mannen op een terras te vragen wat hier gebeurd is. “De zaak is in brand gestoken”, vertelt een van hen. “De politie is nog bezig met een onderzoek. Zo zonde, want de eigenaren van die zaak waren zulke lieve mannen. Die verdienen dit echt niet.” Ik vraag ze of ze enig idee hebben wie de brandstichters waren. “Wat dacht je, onze Marokkaanse jeugd natuurlijk. Deze buurt is echt vreselijk”, is hun reactie.

Maar waarom steken Marokkaanse jongens de winkel van hun Marokkaanse buurtgenoten in de fik? “Om niets, omdat ze geweigerd werd op een laat tijdstip daar nog iets te kopen. Het komt door de slechte opvoeding. Er wonen hier nogal wat gezinnen waarvan de kinderen niet worden opgevoed.” En is dat dan niet de verantwoordelijkheid van de ouders? “Met die ouders valt niet te praten. Zij weten niet hoe ze moeten opvoeden en er is een groot verschil met Marokko. In Marokko is meer respect en er wordt daar harder gestraft.”

Als ik over Wilders begin roept een van hen: “Wilders heeft voor 70 procent gelijk. Hij heeft alleen met zijn ideeën over de islam geen gelijk.” De anderen noemen deze man gekscherend de ‘Marokkaanse Wilders’ en ze zijn het niet allemaal met hem eens. Maar niemand lijkt een goede oplossing te hebben voor de jeugd uit problematische Marokkaanse gezinnen. “Bovendien kunnen het ook nog Nederlanders geweest zijn, want er was eerder een bedreiging van een Nederlandse leverancier”, zegt een van hen.

Ik vraag mij af of het niet ook een gevolg is van de verharding van onze maatschappij. Marokkaanse jongetjes of Nederlandse leveranciers, het lijkt om het even. Wat telt, is dat in Amsterdam West de winkel van vier hard werkende, goedwillende Marokkanen is afgebrand.

Wednesday, May 09, 2012

Foute date

Zie ook
http://www.frontaalnaakt.nl/archives/een-foute-date.html


“The naughty one is me”, schreef hij mij op de eerste dag van januari jongstleden. Die zin - in combinatie met een voorkeur voor films van Stanley Kubrick -  had eigenlijk alle alarmbellen al moeten laten rinkelen. In plaats daarvan werd ik nieuwsgierig. Het begin van een spannende affaire met pijnlijke afloop.

“Komt u wel aan uw intellectuele en lichamelijke trekken bij het plaatjes kijken?” vroeg hij. “Of heeft u wellicht nog meer nieuwjaarswensen die u graag bevredigd wilt zien? Als ik u ergens mee van dienst kan zijn, mijn tong voor u kan laten spreken, of u zou kunnen assisteren bij uw warmste en diepste gevoelens, dan moet u mij dat onverwijld laten weten.” Ik moest er om lachen en natuurlijk kwam ik niet aan mijn trekken door uitsluitend plaatjes te kijken op de dating site waar we elkaar hadden gevonden. Bovendien was ik aan het begin van dit nieuwe jaar toe aan een frisse start. Ik bekeek zijn ‘plaatjes’: vier - nogal verschillende - foto’s. Hij daagde mij uit ze te beschrijven, waarna ik hem typeerde als museumdirecteur, vlotte filmacteur, schrijver en autocoureur. Hij was het allemaal geweest of nog steeds, beweerde hij, behalve museumdirecteur. De foto die ik als zodanig had getypeerd, verwijderde hij onmiddellijk van de dating site. Hij zette er een voor in de plaats waarop hij te zien was met een trieste blik en dandyachtige haardracht, type Oscar Wilde. Een vrolijker foto had hij niet, liet hij mij weten, want hij poseerde nooit vol jolijt. Aan een olijke noot zou het hem echter niet ontbreken en al zijn gezichten waren verenigd in één ziel terwijl “het hart zuiver was en de intenties oprecht”. Hij kon het mij bewijzen in woord en daad, schreef hij.

Hij schreef ook dat hij zichzelf doctorandus in de Klinische Psychologie mocht noemen. Hij zou bedreven zijn in het herkennen, analyseren en/of behandelen van geestelijke pathologieën, ofwel ziektes van de geest. Het “nobele beroep van therapeut” had hij echter nooit daadwerkelijk gepraktiseerd. Wel was hij bezig met het schrijven van een ‘tragikomische autobiografie’ over zijn belevenissen in Australië - en ik hield hem, zoals hij het zo mooi uitdrukte, “op vileine wijze” van zijn werk. Maar al radend naar mijn naam hield hij ook mij van mijn werk: “Ana, Anna, Annebelle, Annabel, Adelbrecht, Agneta, Akeelah, (het Amsterdamse) Akira... u ziet, ik schiet hier behoorlijk uit de bocht.” Toen ik op deze hele reeks namen wat verbolgen reageerde, schreef hij: “Ik constateer dat ik u verwond heb en uw koortsachtige Spaanse temperament (ik spreek Spaans) heb aangevuurd. Ik kan hier in de Amsterdamse Pijp bijna uw nijdige castagnetten (ik dans tango en flamenco) horen kletteren. U bent tot in het diepst van uw nagloeiende lendenen beledigd, waarvoor mijn excuus. Mag ik, ondanks dat ik riskeer dat uw bloeddruk nog hoger oploopt met het gevaar op een TIA, nog een poging doen?”

Na wat grappen over en weer hoopte hij snel weer iets van mij te vernemen, om mij nog beter te kunnen doorgronden en in de toekomst mijn ‘vrouwelijke parfum’ nog beter te kunnen waarderen. Toen ik hem vroeg mij te bellen deelde hij mij mee dat hij nooit belde met vreemde vrouwen wiens parfum hij nog niet geroken had. Liever diepte hij ons contact eerst nog wat verder uit door er al schrijvend “zwoelstevig” de tijd voor te nemen. Wij zetten onze correspondentie voort met als rode draad oesters, tongen en tango. Bij onze eerste ontmoeting zouden wij oesters gaan eten en zou ik kennis maken met de vaardigheden van zijn tong. Op (tango)dansgebied viel er echter weinig van hem te verwachten, schreef hij. Toen ik aangaf dat ik dit niet erg vond reageerde hij: “Gelukkig valt met u te onderhandelen. Heb het simultaan latino-dansen en tongen nooit echt goed onder de knie gekregen. Daarentegen, het tongen an sich, maar met name de cunnilingus, heb ik wel tot kunst verheven. Daarom durf ik u zonder valse bescheidenheid te beloven dat ik u langdurig en intens van mijn tong kan laten genieten. U genot bezorgen is namelijk ook mijn genot. Bovendien lijkt u mij het vrijzinnige type dat mij zowel visueel als intellectueel kan inspireren tot grootse prestaties. Toch heel jammer dat ik u geen referenties kan overleggen wegens het intieme karakter van het onderwerp.” Ik moet toegeven dat dit alles mij enigszins opwond.

Ondertussen ging er van alles tussen ons heen en weer. Ik stuurde hem eerder geschreven stukken over de tango en tekeningen. Hij stuurde mij nog net niet zijn tong, maar wel zijn stem waarmee hij zijn in het Engels geschreven tekst met een feilloos Australisch accent foutloos voorlas. En een beschrijving van het pestgedrag van zijn kater: “pootje haken, het niet aflatende schijnbewegingen maken in het passeren zodat ik over mijn eigen benen struikel, het mekkeren en blaten wanneer ik `s nachts in bed lig, het excrementeren in plantenbakken als iets hem niet zint, en ik denk dat ik nog wel een waslijst vergeten ben waar mijn kater de tijd mee doodt”, eraan toe voegend dat hij de kat ook terugpestte.
Alles wat hij mij schreef, vond ik buitengewoon geestig. Toch kwam ik er na verloop van tijd achter dat hij ook in clichés dacht en soms klonk er iets van frustratie door in zijn tekst: “U bent gewend aan Commedia dell`Arte, aan Don Juans die zogenaamd uw corazón aanbidden en heel origineel met een rode roos tussen hun tanden staan te kwelen onder uw balkon. Bent u dwalende? Een romantica die immer smacht naar het onbereikbare en minderwaardig vindt wat tot haar beschikking staat?” Ik was niet dwalende en vond het ook niet minderwaardig wat tot mijn beschikking leek te staan. Maar misschien had ik dat beter wel kunnen vinden, want na verloop van tijd verschenen de eerste barsten in ons contact.

Dit begon met de zelfmoord van Anil Ramdas, een ieder die de NRC leest welbekende schrijver en journalist. Mijn treurnis over de dood van Ramdas viel bij hem niet in goede aarde. “Een hardnekkig wegkijkend Linksmensch”, noemde hij hem. Desondanks gaf hij aan dolgraag nader met mij kennis te willen maken om zijn liefde voor mij – inmiddels waren woorden als ‘houden van’ en ‘liefde’ er in geslopen – te bekrachtigen. Zij het dat hij eerst zijn huidige verhaallijn moest zien af te ronden. Toen het zover was en wij elkaar ook werkelijk gingen ontmoeten, bespeurde ik enige onzekerheid. “Wat als mijn tong niet in optimale vorm is? Mijn tong die ik eerder groots geprezen heb en tot goddelijke proporties heb verheven”, schreef hij. Bij onze eerste ontmoeting begreep ik die onzekerheid. Niet over zijn tong, maar over zijn uiterlijk en leeftijd. Hij bleek in werkelijkheid vijf jaar ouder dan aangegeven op de dating-site, en hij oogde met zijn niet al te grote, ietwat corpulente lijf allerminst als Oscar Wilde. Maar een kniesoor die daar op let. Per slot van rekening was ik onder de indruk geraakt van zijn schrijfstijl en alles wat hij mij tot nu toe gestuurd had. Zijn uiterlijk en het leugentje over zijn leeftijd waren dus geen beletsel voor een verdere kennismaking.

Oesters aten wij die eerste keer niet. Wel zwalkten wij wat door de Amsterdamse straten om aangenaam te eindigen in een café. Daarna ging ik op vakantie naar Marokko en nam schelpen voor hem mee. Die verpakte ik in een mooi doosje bij wijze van cadeautje. Hij taalde er niet naar. Onze tweede ontmoeting had ook bij lange na niet de glans van de eerste. Hij was op zijn ‘retro-motorscoot’ naar mijn tuinhuisje in Vinkeveen gekomen, en stond plotsklaps in mijn tuin, klagend over de drassigheid van het terrein en de ‘kleinburgerlijkheid’ van het oord. Tot echt goede gesprekken kwam het die middag niet. We hingen wat rond in de tuin en maakten  een ritje op zijn motor.

Toch bleven er foto’s van schilderijen, muziek en teksten komen. Eerder had hij mij het Bal Tabarin van Jan Sluijters gestuurd en Under the Roof of Blue Ionian Weather, van de van oorsprong Friese schilder Laurens Alma-Tadema. Op het schilderij van Alma Tadema zijn twee mannen te zien, van wie er een op een dwarsfluit speelt, omgeven door vrouwen in een klassiek marmeren theater. Hij schreef mij dat hij zichzelf zag als het “wufte heerschap” tussen de dames in lang vervlogen tijden. Dat waren volgens hem tijden waarin de elite zich oeverloos verveelde. Maar over zijn eigen omstandigheden in onze tegenwoordige tijd liet hij niet al te veel los.

Op een gegeven moment drong zich bij mij het beeld op van Jack Nicholson in The Shining, een film van Stanley Kubrick, de door hem zo gewaardeerde regisseur. Aan het begin van die film is er nog niets aan de hand. Nicholson is schrijver en betrekt met zijn vrouw en zoontje een verlaten hotel in een afgelegen oord. Alles gaat goed tot er bange vermoedens komen van zijn vrouw. Zij ontdekt uiteindelijk dat haar man doet alsof hij schrijft. Hij blijkt bezeten, typt pagina’s vol met eenzelfde zinnetje en de hel is los. Nicholson ontpopt zich in de film tot een huiveringwekkende figuur die met een bijl woest om zich heen slaat.

Schrijft hij eigenlijk wel aan die autobiografische roman van hem? En wat doet hij verder nog, behalve de kat pesten? Waarom mag ik hem niet bellen? Waarom blijven wij elkaar op zijn uitdrukkelijke wens alsmaar met u aanspreken? Dat waren vragen die bij mij opkwamen. Al helemaal toen een aangekondigd cultureel uitje om vage redenen niet doorging. Dat weekend plaatste ik een kritisch stuk van Ramsey Nasr (schrijver en ‘dichter de vaderlands’) op mijn facebook-pagina en de hel brak los. Eerst stuurde hij vervelend commentaar, iets in de trant van: “Ze moesten de hele Nederlandse cultuur maar afschaffen.” Daarna bleek hij mij plotsklaps op facebook te hebben ‘ontvriend’ en ook alle andere mogelijkheden tot contact te hebben afgesneden. Hij maakte er dus met de botte bijl een eind aan. 

Later ontdekte ik via enkele van zijn facebook-vriendinnen, dat de man die mij zo interessant had geleken inderdaad meerdere gezichten had verenigd in één ziel. Die ziel was echter niet zuiver en oprecht zoals hij had doen voorkomen, maar vertroebeld en getormenteerd. Hij bleek een vaste relatie te hebben en er daarnaast nog meer vriendinnen op na te houden, die hij ook vergastte op grappige schrijfsels en mooie plaatjes.   

De laatste berichten die hij mij stuurde zaten vol haat en rechts-politieke clichés. Daarin had  hij het over “dat goedkoop scorende mannetje Nasr” en ik vroeg mij af of hij misschien jaloers was op knap ogende intellectuelen als Ramsey Nasr en Anil Ramdas. Van oesters eten is het nooit meer gekomen. De man bleek niet alleen ‘naughty’ te zijn, maar ook kwaad. Ik zie hem nu voor mij als een getormenteerde Jack Nickolson die honderd keer ‘haat’ typt over alle ‘Linksmenschen’ die niet bereid zijn met hem onder te duiken in de marmeren heilstaat van Sir Lawrence Alma-Tadema.

Anita Brus

Amsterdam, april 2012 

Monday, April 30, 2012

Bureaucratie en veel bling bling



Verslag van een verblijf in Guinea Ecuatorial

Het regent. In zijn huis staan overal flessen en emmers water. Hij is erg druk met al dat water. We zouden naar buiten kunnen gaan om te douchen onder de tropische regen, maar hij vangt de regen liever op in verschillende emmers. Daarvoor moet hij vroeg opstaan. Ondertussen zet hij een pan met water op het fornuis zodat we ons straks met warm water kunnen douchen. Mij geeft hij de instructie de blauwe emmer te gebruiken, en niet de rode. De rode is gevuld met regenwater en de blauwe met water uit de put. “Dat water is schoner en dus hygiënischer om je mee te wassen”, zegt hij. “Het water uit de rode emmer kan gebruikt worden om de wc mee door te spoelen.”
Een ‘douche’ in Guinea Ecuatorial houdt in dat je emmers water over je hoofd giet. Maar met één emmer ben je alles meteen kwijt. Daarom drijft er in de grote emmer altijd nog een kleinere versie, zodat je kleinere hoeveelheden over je heen kunt gieten. Water is hier dus geen vanzelfsprekendheid. Eerder een dagtaak. Er is nog veel meer geen vanzelfsprekendheid. Elektriciteit bijvoorbeeld. Als wij ’s avonds aankomen bij zijn huis is het steeds weer spannend. Brandt er licht? Nee, weer geen licht. Maar ook als het licht wel brandt kan het elk moment uitvallen. Zijn huis bevindt zich aan de rand van de hoofdstad Malabo op het eiland Bioko. Om het huis heen is het drabbig en rommelig, zoals overal hier in deze Afrikaanse stad. Openbare voorzieningen zijn er niet. Je arriveert niet met droge voeten. Ook niet met schone. Maar je mag, als je thuiskomt, blij zijn dat je niet in een van de talrijke diepe gaten gevallen bent die je hier overal aantreft in het wegdek. “Kijk naar de grond”, waarschuwt hij voortdurend, en als we zijn huis betreden wast hij mijn voeten. Met het water uit de blauwe emmer.

Hij is Juan Tomás Ávila Laurel, de enige kritische schrijver die nog in het land woont. De rest is gevlucht voor de dictatuur. Ik ontmoet hem in de laatste week van mijn verblijf in Guinea Ecuatorial. Hij schrijft over de corruptie, onvrijheid, nalatigheid in de gezondheidszorg, gebrek aan water en elektriciteit, en andere problemen die de bevolking heeft. Grote delen van de stad zijn ’s avonds aardedonker, hoewel het met het licht tegenwoordig iets beter lijkt te gaan. Vroeger dromden studerende scholieren samen onder de lampen van in aanbouw zijnde hotels, nu zie je ze met hun laptops in de buurt van Sofitel Hotel, het zenuwcentrum van de stad, en daarom de enige plek met een internet signaal. Ieder die ook maar iets betekent in dit olierijke land, of andere belangen heeft, tref je in Sofitel. L-3 Communications (een Amerikaans veiligheidsbedrijf gelieerd zijn aan de CIA) heeft er een vast kantoor, pal naast het zuurstok gekleurde paleis van de president. Ook Barack Obama wil er een vinger in de oliepap houden.

De president, Teodoro Obiang Nguema Mbasogo, heeft in elke stad een paleis. Zijn grootste paleis ligt in Bata, de belangrijkste stad in Río Muni, op het vaste land. Het bevindt zich achter de muren van een gigantisch door militairen bewaakt terrein. Een stad in een stad waar niemand mag komen. Langs de muren wonen de militairen met hun gezinnen. Huizen die te hoog waren werden met de grond gelijk gemaakt omdat ze het zicht van de president belemmerden. Om te weten hoe het er achter de muren uitziet moet je er overheen vliegen. Toevallig zit ik in het vliegtuig aan de goede kant bij het raam zodat ik de pastelkleurige, klassiek aandoende gebouwen van bovenaf goed kan zien. Het complex heeft iets van een taart, met zwembad en golfterrein, die het centrum vormt van een enorm landgoed.
Bata heeft een hoog Disneygehalte. Oude Spaanse koloniale gebouwen worden afgebroken en vervangen door absurde paleisachtige bouwwerken bekleed met badkamertegels. Veel glanzende muren met abstracte patronen. “Badkamerarchitectuur”, noemt mijn Amerikaanse begeleider het, volgens hem het resultaat van een foute opvatting van westerse voorbeelden. Je zou het ook gewoon ‘postmodern’ kunnen noemen, maar dan wel ‘Afrikaans postmodern’, met veel bling bling. In het centrum van Bata is er in dezelfde stijl een soort tuin aangelegd waarvan niemand weet waar die toe dient, want je mag er niet naar binnen. Nogal wat gebouwen zien er weliswaar blinkend uit, maar blijven lege omhulsels zonder doel. Faҫade achitectuur die alleen bedoeld lijkt om te imponeren.

Bling bling zit hier in alles. Je ziet niet alleen veel glans en spiegelglas in gebouwen, maar ook veel glimmende en glanzende kleding, en wegen die worden opgesierd met nutteloze markeringen en talrijke rotondes. In Evinayong, een stadje op ongeveer twee uur rijden van Bata, logeer ik bij een missionaris die ook computerprogrammeur is. Hij vertelt dat, als men zich al een computer kan veroorloven, die pas interessant wordt gevonden als er blitse programma’s op zitten. Of die programma’s het ook doen op de vaak verouderde computers doet er niet toe.

Ik vraag mij af of de bureaucratie en voorliefde voor stempels ook te maken heeft met de Afrikaanse behoefte aan glitter en glamour. In het bureau voor toerisme in Malabo, dat overigens een kaal kantoor blijkt, tref ik een gemoedelijk ogende functionaris omringd door hoge stapels papieren. Ik heb documenten nodig om te kunnen reizen en fotograferen. “Dat wordt heel moeilijk”, geeft hij mij te kennen: “want de ministers die moeten tekenen zijn er niet.” Die blijken op congres te zijn, elders in het land. Maar misschien, als ik heel erg mijn best doe. Hij verwijst mij naar de Tesorería General (staatskas) om de nodige papieren te halen. Als ik daarmee over een halve week terugkom kan hij kijken wat hij voor mij kan doen. Ondertussen leunt hij met een sigaret op zijn lippen gerieflijk achterover, wijzend op een vergeelde foto van zijn kinderen toen ze nog jong waren en al babbelend over voetbal.

De papieren die ik koop in het half ronde spiegelgebouw van de Tesorería zien er boeiend uit. Toch is het niet meer dan weliswaar chique, maar leeg briefpapier met bovenin een geprint wapen van de República de Guinea Ecuatorial. Daarbij krijg ik een soort waardebonnen die ‘timbre de estado’ heten, met daarop vermeld ‘betaling aan de staat’. Men geeft mij de instructie de brief te richten aan de ‘weledelgestrenge minister’, waarna deze met de waardebonnen kan worden ingeleverd bij Toerisme. Ik ga dus weer terug naar de man achter zijn bureau die op dat moment een nogal theatrale speech houdt tegenover zijn personeel. Na een tijdje mag ik binnenkomen en begint alles weer van voor af aan. Ik krijg opnieuw te horen hoe moeilijk het is om toestemming te krijgen, hoe het met zijn kinderen gaat die inmiddels volwassen zijn, en hoe geweldig het is dat het Nederlands elftal doordrong in de voetbalfinale. Toch bekijkt hij de door mij overhandigde papieren zorgvuldig, of doet in ieder geval alsof. Ze krijgen zijn goedkeuring en hij niet ze aan elkaar. “Het wachten is nu op de minister”, zegt hij. En ik moet over enkele dagen nog maar weer eens terugkomen. Zo gaat dat dus in een bureaucratische dictatuur. Het sleutelwoord is geduld. “Heb geduld”, adviseert men mij steeds als ik weer een of ander document nodig heb. De verlenging van mijn visum bijvoorbeeld. Ook daarvoor moet er een brief met stempels naar de minister. En dat gaat via de Policía Nacional, het politiebureau in een modern gebouw aan de rand van de stad waar de jungle begint. De brief kan ik dit keer laten schrijven. ‘Por una Guinea mejor’ staat er onder; voor een beter Guinea. Maar daarmee ben ik er nog niet. Dit keer is de betreffende minister ‘ziek’ en kan daarom niet tekenen. Ik probeer zonder omkoping voor elkaar te krijgen dat men mij de gevraagde verlenging geeft. Daarvoor leg ik diverse bezoeken af aan het politiebureau en uiteindelijk lukt het alleen met een diep decolleté. Maar zo gaat het alleen in Malabo. In Bata moet ik mijn visum opnieuw verlengen en daar helpt zelfs geen decolleté. Men stelt zich er eerder vijandig op. Er heerst een sfeer van ‘wij niet naar Europa, jullie niet hier’. Dat wordt mij ook letterlijk te verstaan gegeven en men weigert mij botweg te woord te staan. Eerder verkregen papieren worden gewoon ongeldig verklaard. Geen beginnen aan en ik besluit het visumprobleem daarom maar uit te stellen. Visa worden steeds voor vijftien dagen uitgegeven en mij resten nog tien dagen. Daarna zien we wel weer verder.

In het binnenland reis ik naar het natuurpark Monte Alén. Daar zouden gorilla’s zijn, maar de enige gorilla die ik te zien krijg is de gorilla afgebeeld op het shirt van de directeur van het park. Hij loopt ook een beetje als een gorilla. Voor echte gorilla’s en olifanten moet je diep de jungle in en dat is helaas niet mogelijk omdat de overnachtingsplekken daar in verval zijn. Er kunnen slechts korte tochten gemaakt worden die niet ver genoeg het oerwoud ingaan om de in mijn gids beloofde wilde dieren te zien. Die vluchten bovendien voor het helse kabaal van de weg die er wordt aangelegd door de alom in het land aanwezige Chinezen.

Hier in het afgelegen binnenland is de moraal losjes. In het dorp wil de eigenaresse van de bar haar man wel een nachtje aan mij uitlenen. Opdat ik me hier niet zo alleen zal voelen. Man in kwestie zit tegenover mij en hoort het gelaten aan, terwijl zij haar kind de borst geeft. Er wordt flink bier gedronken. Nogal wat mannen zijn half of helemaal dronken en de vrouwen gaan schaars gekleed. Borsten puilen zonder enige gêne uit de decolleté’s.

Op deze afgelegen plek kook ik zelf. Maar er is ook een kok die mij leert koken op zijn Afrikaans. Geen water en geen theedoek. Zo af en toe wordt er bestek afgeveegd aan een niet al te schone doek en ik maak de groenten schoon met mineraalwater. Tijdens het koken valt om de vijf minuten het licht uit. In deze omstandigheden voel ik mij erg onhandig, maar ik weet uiteindelijk toch nog iets acceptabels klaar te brouwen tussen de licht-uit-licht-aan intervallen door.

Terug in Bata is er in ieder geval weer meer licht. Toch besluit ik nog een ander avontuur aan te gaan. Ik reis naar Corisco, een eiland dat behoort tot Guinea, maar voor de kust ligt van Gabón. De vraag is hoe de oversteek te maken van het vaste land naar dit eiland, en hoe er uit handen te blijven van de militairen. Ik draag een aanbevelingsbrief bij mij van de Spaanse consul en een brief van een van de directeuren van Somagec, een Marokkaans bedrijf dat op dit eiland een vliegveld aanlegt. Zij kunnen mij vervoeren per boot. Ik kan echter mee met een Spaanse groep die een cayuco (soort grote kano) heeft gehuurd en kom drijfnat aan.

De Marokkanen van Somagec zijn op het eiland de grote boosdoeners. Zij bouwen hier een buitenproportioneel vliegveld met een landingsbaan waarvoor de helft van het eiland moest worden gekapt. Hoewel dit Marokkaanse bedrijf de president helpt het eiland te verpesten, zijn hun werknemers erg aardig. Als ik met ze terugreis op een sleepboot naar het vaste land, hoor ik veel over de presidentiële plannen. Samen met de koning van Marokko wil Obiang hier een paleis bouwen. Het enorme vliegveld zou alleen voor henzelf bestemd zijn. Om indruk te maken op Gabón, wordt mij verteld. Protserig gedrag op hoog niveau. Ook hier schijnt olie te zitten en het gaat er om wie daar aanspraak op kan maken. De grens tussen Gabón en Guinea Ecuatorial is nooit definitief vastgesteld, en puur machtsvertoon moet laten zien wie de baas is over het eiland. De president heeft om dit grensconflict te beslechten een advocaat uit Washington laten overvliegen. Ik spreek die advocaat een week later in Sofitel Hotel.

In Sofitel Hotel is het een komen en gaan van zakenlieden, al dan niet aan de CIA gelieerde Amerikanen en hoogwaardigheidsbekleders uit diverse Europese en Afrikaanse landen. Na mijn reis door de binnenlanden en naar Corisco denken de Amerikanen dat ik een spion ben van de Nederlandse geheime dienst. Want wie gaat er nu op vrijwillige basis naar een dictatuur als Guinea Ecuatorial?

In de buurt van een van de paleizen van de president worden we aangehouden door militairen. We bevinden ons in een gehuurde auto met chauffeur, en een van de inzittenden wil het paleis wel eens van dichtbij zien. Zo rijden we wellicht met te veel toeristische aspiraties langs de openstaande slagbomen. Dom, maar geen misdaad. De groep die ons tegenhoudt, waarvan enkelen met bier en slechts een enkeling in uniform, denkt daar echter anders over. We bevinden ons op het terrein van de president en hebben ‘een serieus probleem’. Het betekent paspoorten inleveren, dreiging en intimidatie. De Amerikaan kiest al snel voor de Amerikaanse oplossing en betaalt een absurd hoog bedrag om uit de val te raken. Ze laten ons gaan. Maar daarmee zijn we er nog niet: een eindje verderop staat een tweede groep die hetzelfde doet. Dit keer zijn ze allemaal in uniform en bewapend. De Amerikaan betaalt opnieuw.

Dit gebeurt in Moka, op het eiland waar de Bubi stam in de meerderheid is. De Bubi’s zijn aardig. Voor het paleis incident werden we heel vriendelijk ontvangen door een Bubi onderwijzer die ons enthousiast rondleidde in zijn school en vertelde over de Bubi cultuur. Toch werden we een moment later door de militairen ‘uitgekleed’. De grens tussen hemel en hel is hier flinterdun.

In Guinea Ecuatorial wonen meerdere etnische groepen. De belangrijkste zijn de Bubi’s en de Fang. Die groepen mengen zich nauwelijks en staan vaak wantrouwend tegenover elkaar. De Fang vormen de grootste groep en worden gezien als dominant. Zij zien de Bubi’s als nederig en laf. De eilanden Corisco en Annobón (het meest afgelegen eiland) hebben hun eigen stammen en een eigen taal. Het helpt de eenheid in het land niet bevorderen. Al helemaal niet omdat men in de eerste plaats voor zijn eigen familieclan zorgt.

De president en zijn familie behoort tot de Fang. Hij heeft een hele reeks kinderen, broers en zussen die hij tevreden moet stellen. Allen wonen in grote huizen of paleizen, soms ook in het buitenland. Het land is rijk door de olie en toch zijn de meeste bewoners er arm. Zij worden in het gareel gehouden door onderdrukking. Ik ben nog in het land als in de buurt van Malabo vier militairen worden geëxecuteerd, nadat ze voor een militair tribunaal zijn verschenen op verdenking van de beraming van een staatsgreep. Ik hoor dat hun lichamen zijn gedeponeerd in een massagraf zonder dat hun families afscheid hebben kunnen nemen.

Zenuwen als ik het land verlaat. Bij de paspoort controle bestudeert een nors kijkende douanebeambte nauwlettend alle verzamelde visa in mijn paspoort om tot de conclusie te komen dat mijn laatste visum een permanent visum zou zijn in plaats van een toeristenvisum, en dus niet geldig. Ik smeek hem mij te laten gaan. Uiteindelijk zet hij met tegenzin de stempel voor de uittocht. Ik snak ondertussen naar beschaving.     

Saturday, December 31, 2011

El doctor Fausto



No hay dioses en es este mundo (ni en el cielo, pero esa es mi opinión privada ;)) y los gobernantes de España tendrían que darse cuenta de que, con la política de negocios como con la política cultural, tienen un dictador como Mobuto, Gadafi y los demás de los dictadores entre sus filas. Y, ¿qué se hace con un dictador? Se puede negociar con el dictador y cerrar un pacto con él. Hay ejemplos de sobra en la historia, tantos reales como ficticios. Pueden elegir señores, rechazar o aprovechar. Ser un heroe o ser un Fausto. Ya hemos concluido que no somos heroes. ¿Nos queda siendo el Fausto? Esperemos que ni haya verdaderos diablos en este mundo.

Tuesday, December 27, 2011

No somos heroes


Hoy un hombre LOCO me llamaba la representante de Holanda "en ésta lucha por liberar a los que viven en las garras de Obiang". Demasiado honor, y en realidad... quién soy yo. También dijo que le hubiese gustado "saber que Holanda, que también se encuentra en éste mundo injusto (y en occidente...), criticase un poco más a la dictadura de Obiang." Qué complicado es el mundo. Y además es un mundo dividido. Se separa de todo; en distintas situaciones se dice cosas distintas y los países europeos en realidad no tienen mucho que ver el uno con el otro. Cada cual se preocupa por su propia 'ex colonia' y ni siquiera eso. Se preocupa por sus propios problemas sin preocuparse mucho por los de los demás. Si lo hacen, lo hacen para salvar el propio pellejo y el euro. Entonces se salva por su propio interés. No, amigos, no somos heroes. Para nada.

(imagen y texto inspirado por Ramón Esono Ebalé)

Saturday, December 24, 2011

Sunday, August 07, 2011

Sipopo Gbadolite


Desde una distancia y leyendo sobre Congo, veo Guinea Ecuatorial cada vez más como un país que muestra cierto patrón, un patrón repetido en más países africanos. No es tan raro que los líderes africanos se buscan en cumbres como el cumbre de junio, en Malabo. Ni es muy raro que para un cumbre así el jefe del estado hizo construir Sipopo. Cada presidente su propio Sipopo, o Gbadolite en el caso de Mobuto en sus últimos años como presidente de Zaïre, Congo. Seguimos otra vez a Mobuto como lo describe David van Reybrouck:

“Mobuto se hizo un hombre solitario, y cada día más melancólico. Parecío haber caido presa de un anhelo por excesos que marcan a los que ya no se dejan sorprender por la vida. En Europa compró montones de bienes de lujo; tenía unos doce castillos, residencias en los barrios de lujo en Bruselas y en otros lugares belgas. Tenía un apartamento de lujo de ocho cientos metros cuadrados en la Avenue Foch en París, un castillo en Savigny cerca de Lausanne, un palacio en Venecia, un chalet exhuberante en la Riviera francesa, un dominio con caballos de montar en el Algarve en Portugal, como una serie de hoteles en África Occidental y Sudáfrica, y un yate de lujo [suena familiar] en el río Congo. Pero lo más apabullante de todas sus casas fue sin duda Gbadolite. En su región natal dejo construir una ciudad en plena selva que tenía sus propios bancos, correos, un hospital bien equipado, un hotel muy moderno y una pista en la que podía aterrizar el Concorde. También construyeron una catedral con una cripta que tenía que funcionar como sepulcro de la familia, y un pueblo chino con pagodas y chinos importados. Y, la joya de todo eso fue su palacio de quince mil metros cuadrados. Tenía puertas de madera de caoba con una altura de siete metros, decorados con malaquita. Los paredes fueron cubiertos con marmol y seda. Había lucernas cristales, espejos venecianos, muebles estilo impero, y nunca fue suficiente. Había jacuzis, cuartos para masajes, una piscina y una peluquería. La señora Mobutu tenía una guardarropa de cincuenta metros de larga donde guardaba su ‘haute couture’ extenso de unos miles de creaciones. Los ninos tenían una discoteca y había un refugio antiatómico para toda la familia [etc. etc. etc.]”

Y, con referencia al BLING BLING; Mobuto dejo contruir una presa enorme, llamada ‘Inga II’, en el río Congo y muchos objetos de prestigo más:

“Todos esos objetos de prestigio tenían las mismas características; fueron construidos por empresas extranjeras, tenían las últimas novedades, y fueron entregados listos, pero nunca funcionaron bien. Las empresas francesas, italianas, americanas salieron en seguida después del pago, y por eso todo el ‘hightech’ mudaba de manos a los que no sabían cómo funcionaba y que nunca habían tenido la oportunidad para aprenderlo. La presa Inga II costó 478 millones de dolares, pero Zaïre (Congo) siguió siendo un país de cortes de electricidad.”

Y todo eso ya fue en los años sesenta, setenta, ochenta y noventa.

Anita Brus
7 de agosto de 2011

Un sujetador vacío


“En el puesto de Katana había un correos con un administrador nativo que un día dijo al belga que le visitaba: “Me han engañado”. Cuando el belga le preguntaba cómo, él le contó: “Pues, aquí tengo un catálogo de Au Bon Marché en Bruselas y mira esta foto (una foto de una chica guapa llevando un sujetador precioso). Lo he pedido y sabe lo que me han mandado? Un sujetador vacío.” Y le dijo después que había pensado que también iban a mandarle la chica, que el precio le resultaba poco en comparación con los gastos del dote para una mujer nativa.”

David van Reybrouck nos cuenta en su libro sobre la historia de Congo que, cuando Congo se independizó, los negros pensaban que iban a tener ‘boys’ blancos, y que todo el mundo podía elegir una mujer blanca, porque a las mujeres blancas las dividieran como los coches y otras cosas que dejaron atrás los blancos. Algunos visitaron los chalets de los blancos para pedir si podían ver su nueva propiedad, incluso la dueña de la casa.

A pesar de todo eso van Reybrouck pinta una imagen razonable. Los nativos no eran tontos, ni estúpidos, sólo les faltaba educación y experiencia para gobernar: “De repente tuvieron que jugar el juego de la democracia que nunca habían jugado. Una tarea imposible. Nadie de los nuevos líderes había vivido ni un día en una democracia. El ‘Congo Belgique’ nunca había conocido un parlamento, nunca habían tenido una cultura de una oposición institucionalizada, de deliberación, de la búsqueda al consenso, de aprender a vivir con compromisos. Todo fue decidido desde Bruselas y desacuerdos fueron disimulados para los nativos porque creían que afectaban el prestigio del colonizador.”

Dice que Congo tampoco era presa de la irracionalidad salvaje: “La miseria de los primeros cinco años de la independencia no era la consecuencia de un renacimiento barbarie o de una resurreción de algún primitivismo que hubieran oprimido durante los años coloniales. El caos era más el resultado de una lógica y menos de algo irrazonable, o mejor dicho: era una confrontación de las distintas lógicas. El presidente, el primer ministro, el ejército, los rebeldes, los belgas, el ONU, los rusos, los americanos: todos manejaban lógicas que eran comprendibles y consistentes de puertas adentro, pero que muchas veces resultaban ser irreconciables entre sí. Como en el teatro la tragedia de la historia no era un asunto de los razonables en contra de los irrazonables, de los buenos en contra de los malos, sino de personas que se juntaron mientras cada persona se pensaba buena y razonable. Los idealistas se opusieron a otros idealistas, pero cada idealismo demasiado fanático lleva a ceguera, ceguera de los buenos.”

Me parece una buena lección que todavía vale hoy en día.

Anita Brus
2 de agosto de 2011

Friday, July 29, 2011

Manos y genitales


“A la cantante guineoecuatoriana Fifi la Mirey la detenieron llevando genitales humanos”. A una mujer de Occidente que se piensa civilizada eso le suena surrealista y le parece que cuadra demasiado bueno con la imagen predispuesta que muchos blancos tienen de ‘esos negros salvajes’. Entonces, la mujer (blanca) y civilizada decide que no va a creer la historia sin más. Como no pudo creer la misma mujer lo que le contó un tonto en Corisco; que Obiang no sólo robara los genitales humanos, sino que incluso se los comiera. Decide que debe ser un mito, o por lo menos exagerado.

Un año después de haber estado en Malabo, en Bata, y lugares más en Guinea Ecuatorial, y después de una huelga de hambre de un escritor guineano, un amor perdido y por lo menos dos ganados más, ella encuentra un libro escrito por un belga que trata de la historia de la colonia belga que una vez fue llamada Etat Indépendent du Congo, y que ahora ya no es colonia sino una república independiente, llamada la República Democrática del Congo.

¿Qué tiene que ver esa historia de la República Democrática del Congo con Fifi la Mirey y Guinea Ecuatorial? Mucho, aunque todavía no sabemos todo por no haber terminado el libro de 680 páginas hasta el final. El escritor belga, David van Reybrouck, estaba buscando voces de la gente del pasado y las encontró. Esas voces de algunos hombres muy, pero muy viejos, le contaron sus experiencias a partir de la llegada de los primeros blancos en el siglo diecinueve. Es una historia terrible con todos los ingredientes de explotación y abuso que ya conocemos de la época de la colonización. La época peor fue la de la extracción del gaucho a comienzos del siglo veinte. Porque en el interior del país todavía no existía el negocio con dinero, el rey belga Leopoldo II decidió sacar el gaucho a través del comercio de trueque. Lo que cambiaron por el gaucho era la mano de obra de los negros; la mano que en unos casos tenían que dar literalmente. Si los obreros no entregaban suficiente gaucho, les castigaron en una forma muy cruel y les quitaron la mano. Los jefes blancos mandaron a sus subordinados negros para cobrar impuestos y gaucho de los que tenían que trabajar en la selva como un tipo de esclavos. A esos subordinados les dieron un fusil, y para que no usaran el fusil para la caza, ellos tenían que probar lo que habían hecho con las balas. Así se acostumbró a cortar la mano derecha de sus víctimas para llevarla como prueba de las municiones disparadas. Esas manos se las ahumaba encima del fuego de leña, como hoy en día todavía lo hacen con la carne para que no se pudriera. Era porque él que cobraba el gaucho y los impuestos veía a su amo sólo una vez por dos o tres semanas, y tenía que mostrar los miembros como pieces justificatives, o sea como ‘recibos’ por los gastos.

Historias así y aún más crueles eran pan de cada día en aquel entonces. Muestran la colaboración perfecta entre blancos y negros en el intercambio de sus crueldades. Desde este punto de vista sí se puede creer que Obiang come testículos como se los lleva la Fifi. Pero lo que también se aprende es que un comportamiento tan horrible no era inherente a una sola ‘raza’, sino que era el resultado de un régimen cruel de blancos y negros. Como las crueldades en África de hoy en día son el resultado de los régimenes crueles respaldados por blancos y negros.

Anita Brus
29 de julio de 2011

Tuesday, July 12, 2011

Don Quijote en Guinea


Sancho habla en dichos. Si hubiera sido holandés podría haber dicho: “Se come de dos diques” (los diques nos protegen en contra del agua). El mismo dicho en español sería: “Se pone una vela a Dios y otra al diablo”. El diccionaro también dice: “Chupar de dos tetas a la vez”. O se dice: “no se chupa de dos tetas a la vez”, y la pregunta sería que sí se pondría una vela a Dios y otra al diablo, o que sí se comería de dos diques. Yo diría que sí, aunque no es lo mismo poner velas y comer de los diques, aún menos si uno pone las velas a Dios y al diablo a la vez. De los diques se podría comer lo mejor de los dos lados. De un lado se tomaría frutas tropicales y del otro manzanas, peras, y fresas nórdicas. Nada en contra, al contrario; puede enriquecer la mente y enriquecer las culturas.

Lo único es que todo cambia cuando las frutas se hacen venenosas. Myriam Martínez Elcoro, la directora del CCEB, parece haber decidido no comer las frutas venenosas cuando llama Guinea Ecuatorial “un país muy intenso e interesante para trabajar”. ¿Aceptable? Sí, nadie quiere morir. Aunque tal vez sería lógico salir de un país así, donde no se puede nombrar las cosas por sus verdaderos nombres. Pese a que sabemos que no siempre es tan fácil. Tal vez ella piensa que la tierra ajena, con su ayuda, podría cambiar en un verdadero paraíso.

Pero, ¿cómo señora Martínez Elcoro? Cuando el diablo se involucra, ya no se come las manzanas del paraíso, o ¿sí? Tal vez sí. Y, ella se deja envenenar. O, simplemente hace como si el veneno no existiera. ¡Pero existe! Tal vez ella también lo roconoce, pero decide callarse. Decide poner una vela a Dios y otra al diablo y comer de dos diques. Y, ¿que hacen todos sus amigos directores y los otros amigos de los Centros Culturales en Bata y en Malabo? Parece que ellos se callan también. No del veneno sino de los amigos callados. Y, ¿eso ayuda al fin y al cabo para eliminar el veneno? No creo. ¡Todos tendrían que abrir la boca! Don Quijote no se quedó con los dichos de Sancho y luchó, sea en contra de un rebaño de ovejas. Pero, por lo menos no se calló, ni lo hizo Sancho.

Anita Brus
12 de julio de 2011

Sunday, June 19, 2011

Laura Álvarez -España en clave de crisis


El 19 de junio hubo una tertulia con la arquitecta Laura Álvarez. Nos habló de la arquitectura española ‘en clave de crisis’. Fue una revelación. Ya sabía que las causas de la crisis española tenían sus raíces en el mundo de la construcción, pero ella nos reveló mucho más. Por ejemplo que en los últimos años han ocupado ¾ más del suelo español que en toda la historia a partir de los romanos. Y, ¡hoy en día cada una hora construyen unos dos campos de fútbol, mientras se quedan 3000.000 viviendas vacías! Esa fue su introducción. Después ella nos contó de los momentos de la crisis en la historia española arquitectural entorno del credo, del feudalismo, del franquismo, y de las naciones. Pasaron monjas y catedrales, Alfonso X el Sabio, la arquitectura cargada del barroco y planes de Carlos III, hasta Jovellanos y Franco. Pero lo que me gustó aún más fue como terminó su charla sobre la situación de hoy en día. La locura de la crisis de este momento según ella tiene su origen en lo que ya dijeron bajo Franco: “Hagamos un país de propietarios y no de proletarios”. Todavía en nuestros tiempos todos quieren la propiedad. ¡En España quieren comprar a toda costa! Esto ha estimulado el boom de la construcción. Ese boom no correponde con la demanda. Los bancos daban préstamos a todo el mundo y eso llevó a un crecimiento artificial sin planificación, a edificios vacíos, y a una deuda enorme. Y ahora la pregunta es: ¿qué hacemos con todos los edificios vacíos? También habló de la corrupción española. Según ella en España no separan la comunidad de sus propios intereses. Y, cada gobierno quiere mostrar su poder por una inauguración de un edificio pomposo más. Lleva a una arquitectura de fachadas (¿de qué otro país conocemos ese tipo de arquitectura? ¡jejejejeje!) Terminó con decir que España piensa ser europeo, pero todavía no lo es en ningún sentido. Después de su charla hablamos de la mentalidad española, de buscar la responsabilidad fuera de si mismo. Incluso la juventud del 15 de mayo no lleva soluciones, y ni lo hace el gobierno sin alguna forma de control a lo que cobra la gente por el paro. Pero, eso ya no se trata de la arquitectura.

Anita Brus
Amsterdam, 19 de junio de 2011

PD Nota de Laura: Los datos son de lo que pasó de 1987 a 2000 y la superproducción de vivienda ocurrió en el 2005

Monday, June 13, 2011

¡Mantequilla en la cabeza!



Es una expresión holandesa. Alguien tiene mantequilla en la cabeza cuando le pesa su mala conciencia. O, cuando juzca a los otros y no a si mismo. ¿Tengo mantequilla en la cabeza? Tal vez. Estuve en Guinea Ecuatorial, disfrutando de lo que me ofrecieron allí, aunque no tenían mucho que ofrecer. En Guinea no existe el turismo. Venden guias en el extranjero lleno de mentiras. Ni siquiera quieren el turismo. Ya tienen suficiente dinero ganado por los negocios con el petróleo, y el resto no les importa un pito. No hay cines, ni museos, ni una vida cultural organizado por los guineanos. Uno de los lugares más civilizados en Guinea es el Centro Cultural de España en Malabo donde ofrecen una buena comida, cursos de literatura y lengua gratis; todo en un ambiente muy agradable. Entonces yo disfruté de lo que critico, porque he criticado y sigo criticando los Centros Culturales. ¿Mantequilla en la cabeza? Tal vez. Pero por lo menos no me quedé callada. Ni aquí, ni allí. Hablé de todo lo que había visto durante mi estancia en el país. Les conté a todos que querían saberlo lo que me había ocurrido en Corisco y en Moka. Mostré las fotos de la isla destruída y hablé de lo que me había contado la gente allí. Me acuerdo muy bien al padre con su hijo en Corisco que tenía una casa justo al lado de esa pista monstruosa de Obiang. Todavía veo a ellos, tristes, desesperados, porque les habían robado media isla. Y, mostré las fotos que saqué allí (y lo hago otra vez). Hablé de todo eso cuando difruté del lujo del Centro Cultural de España. Pero, no todos querían saberlo. Había gente que se alejó de esa extraña mujer holandesa. ¡Qué hacía ella allí!? ¿De qué hablaba? ¡Mejor que se callara! Eso es lo que leí en las caras de algunas personas y nunca he entendido cómo podían concordar las cosas irreconciliables. Aún menos después de la huelga de hambre de uno de sus compañeros. ¿Cómo puedes concordar el sufrimiento de uno de tus miembros con aceptar dinero de los culpables? ¿Cómo puedes trabajar en un país del que los gobernantes persiguen a uno de tus compañeros? ¿Cómo puedes callarte después de todo lo ocurrido? ¿Cómo puedes criticar al gobierno de tu país (España) por negociar el petróleo mientras tú negocias la cultura? Lo pregunto al director del Centro Cultural de España y a todos que siguen trabajando allí, sea con las mejores intenciones, como ayudar a la gente que no tiene nada si tú no les das algo. Bueno, les ayudas, pero si te callas de lo malo que les ocurre cada día, tienes mantequilla en la cabeza. Tal vez tiene algo que ver con la historia española. España no se comportó muy bien con su antigua colonia (¡ni lo hizo Holanda con sus colonias!) No dejó ninguna infraestructura a Guinea. Y, la historia franquista tal vez también tiene mucho que ver. Sabemos que después de la muerte de Franco España eligió el camino de callarse. Sea como sea, no deberíamos aceptar tener mantequilla en la cebeza. Tendríamos que contar todo lo que vimos y experimentamos en Guinea Ecuatorial. No sólo lo bueno sino también lo malo. Sólo así ayudamos al pueblo guineano y mantenemos la cabeza limpia.

Anita Brus
Amsterdam, 12 de junio de 2011



Thursday, June 02, 2011

Conversación con Teodorín Obiang

Se lo lee desde abajo hasta arriba:

Obiang Teodorin
Le contestaré más tarde ¡adiós!

Ana Brus
29 mei 3:54
interesting... I'm beginning to believe that you realy are Teodorín. Bueno, hablamos español. Explíqueme usted lo siguiente: cómo puede ser que un país tan rico como Guinea Ecuatorial no tiene los beneficios básicos para la mayoría del pueblo. Por qué la mayoría no tiene agua corriente, electricidad sin problemas, una enseñanza buena, y ni hablar de una vida cultural a través de periódicos, cines, museos y universidades? Por qué tienen los líderes tanto miedo por una libre expresión? Por qué hay tantos intelectuales de Guinea viviendo en España?

Obiang Teodorin
29 mei 3:43
I see, so you know me and maybe even looking for things to write about me. Well I have more friend than I can accept. But for security reasons, I don’t allow anyone to view my friend list.

Ana Brus
29 mei 3:35
What's happening? Guessed you would know if you follow things here on face. I got involved in the matter of Juan Tomás Ávila Laurel, the so called unkown writer who had to fly from Guinea because of the lack of freedom of expressión there. Sure you know something about that. And if you say no, será por razones políticas. By the way; why does a popular person like you only have one friend on face?

Obiang Teodorin
29 mei 3:27
So what is happening in your life. Are you married?

Ana Brus
29 mei 3:21
jejejeje!

Obiang Teodorin
Lacking money to call? That’s funny. Anyway, what’s your email address?

Ana Brus
29 mei 3:09
...supongo que usted habla español. Estoy en skype por si acaso le falta el dinero para llamarme.

Obiang Teodorin
29 mei 2:51
My number is [me dio su número]

Ana Brus
29 mei 2:10
amiga

Obiang Teodorin
29 mei 1:57
Hi
Hola amigo

Ana Brus
28 mei 9:37
Estimado Teodorín:
Querría hablar.
Un saludo cordial de Ana de Holanda

Y después de esa conversación en face él suprimió su página

Friday, April 15, 2011

Otra realidad


Soy Ana. Soy profesora de lengua y arte en Amsterdam y llevo unos veinte años en la enseñanza segundaria. Vi a chicos y chicas yendo y viniendo, chicos y chicas divertidos, inteligentes, un poco o muy estúpidos, locos y tontos. O sea, de todo índole, algo que es normal en la edad de doce a dieciocho años. Vivimos aquí en una sociedad de lujo. La mayoría tiene su propio móbil, televisión, ordenador, moto y más. Están acostumbrados a conseguir cosas sin hacer mucho esfuerzo. Sus padres quieren que estudien, y muchas veces son los padres que hacen los deberes de sus hijos. Chicos y chicas sobreprotegidos y con todas las posibilidades. Los hace mejor? Yo diría que no, al contrario. Son mimados y ya no se dan cuenta de todo lo que tienen. Pero son adolescentes que todavía tienen que madurar. Sus estupideces no se las puede tomar a mal. Peor son los padres. También tienen todo; dos coches, dos casas, dos o tres ordenadores, vacaciones dos veces por año. Y, todo en toda la libertad, porque vivimos en una democracia con una libertad de expresión sin límites. Por eso se gritan groserías en el gobierno y en la calle, y eligen líderes como Geert Wilders que llama el islam una relegión retrasada y propone introducir un impuesto para las mujeres que se cubran la cabeza con el pañuelo musulmán. Entonces, la democracia y la libertad de expresión nos hace mejores personas? No parece.

Como ya concluimos en el sitio de apoyo a Juan Tomás Ávila Laurel: la mayoría no hace nada y prefiere sentirse a ver lo que pasa. La mayoría de la clase se calla, sólo uno se atreve decir algo, y muchas veces ni siquiera uno. Siempre ha sido así. A la gente no le gusta ser molestada o arriesgar el pellejo. La tele da un entretenimiento fácil y todos quieren formar parte de lo que ven. Chicas guapas se hacen las estúpidas como carne decorativa de la farándula. Intelectuales votan a Wilders. La enseñanza no nos hace mejor, y ya lo sabemos desde hace el siglo de la Ilustración.

A pesar de eso doy clases y las doy con mucho placer. Clases para todos y, sobre todo, para ese único que se atreve distinguir. Además, una enseñanza buena es un derecho fundamental, justo para que el talento único pueda florecer. Pero, a pesar de toda la enseñanza y democracia del mundo, nunca vamos a acabar con los estupideces de ese mismo mundo. Ni en Holanda, ni en España, ni en Guinea, o donde sea.

Wednesday, April 13, 2011

GUINEA ECUATORIAL: TODAS LAS VOCES, TODAS LAS MANOS



Los vientos de libertad iniciados en el norte de África podrían pasar de largo y no tocar Guinea, pues a menudo los grandes bahías son accidentes geográficos resguardados de los vientos. La longevidad d...e la dictadura guineana es el hecho que reclama la visita del viento libertador, puesto en camino con la dolorosa inmolación del tunecino Mohamed Bouazizi. Pese a la también dolorosa realidad de las personas que cayeron bajo las botas de los sicarios que reprimían las ansias de libertad en Túnez, Egipto, Argelia, Siria y Yemen, y a los miles de personas abatidas en la irracional lucha política en Costa de Marfil, en Guinea no queremos más pérdidas de vidas humanas. Ya dimos nuestra ofrenda de sangre durante los 11 infernales años de Macías y durante la dictadura de Obiang. De hecho, hace pocos meses cuatro ciudadanos fueron fusilados con la más ignominiosa nocturnidad. De algunas de las muertes pretéritas dio macabra cuenta el libelo al revés titulado El baile de los malditos. Es un libelo al revés porque señala al mismo autor que lo engendró. En un país de proporciones exiguas, el recurso a la violencia para alcanzar la libertad deja heridas perpetuamente abiertas en la comunidad, hecho que dificulta la convivencia entre los ciudadanos. La necesidad de que el proceso guineano transcurra sin episodios luctuosos descansa igualmente en varios hechos, uno de los cuales es la reclamación posterior de los políticos de los espacios de gestión de los asuntos de la comunidad. Sí, a menudo no dan la cara, mandan al pueblo a luchar a brazo partido contra los agentes de los secuestradores de la libertad, y cuando las aguas se hacen calmas, proclaman su más preclaras dotes políticas para gestionar esa libertad. En Guinea, esto no debe ocurrir. Ahora más que nunca, todos tienen que dar la cara para luchar por un cambio en el país. Todos, sin ninguna excepción. Y en el caso de los residentes en el extranjero, es hora de que muchas personas antaño locuaces hagan oír ahora su voz. Además, no vale aquello de “ya hicimos cuando pudimos en el pasado”. Y es que no se ha logrado nada todavía. Muchos profesores de universidad, muchos licenciados en leyes, maestros en medicina y personas del mundo de la literatura tienen que hacerse oír. Ya no son tiempos de permanecer ocultos. Ya sea que ya pertenezcan a partidos políticos o que nunca practicaron la militancia política, ahora, y más que nunca, Guinea Ecuatorial necesita su voz, sus brazos. Quizá si no damos nombres nadie se dará por aludido, pero ahora ponemos nombres a nuestro llamamiento: Bolekia, Bikó, Ndongo Biyogo, Evita, Okenve, Riochí, Nguema, Moto Nsa, Nse, Alicante, Mikó, Esono Ondo, Oná Boriesá, Nvo, Marcelo Ndong, Davis, Zamora, Sipi, Nvumba, Oko, Nkogo y una lista más larga que esta. Sí podemos tener otra oportunidad, aparte de esta, pero esta es la mejor. Más que nunca, necesitamos de vuestro activar para alcanzar la normalidad política en Guinea y poner los cimientos para un mínimo de dignidad. En la penumbra de la obscuridad cobarde están agazapadas muchas personas que ya sea por el disfrute de las mieles amargas de la dictadura, ya sea por haber sabido aprovechar el parapeto de la impunidad, no creen todavía en la necesidad de una acción para sacudirse la vergüenza que nos rodea, y pese a su formación académica. No daremos los nombres de estos; ya se encargará el destino de destapar la podredumbre de su vivir. Igualmente sabemos de unos partidos políticos que, al margen de su no reconocimiento por la dictadura patria, esperan el postrer momento para irrumpir en la escena política y quizá reclamar su condición de salvadores del pueblo oprimido. Es urgente que se sumen a la acción, pues una reclamación tardía podría traer complicaciones. Pero es urgente una acción común. Y una acción común no significa necesariamente un planteamiento único, al menos en lo que se refiere al particular sentir de cada ciudadano en lo que se refiere a su geografía local. Todos, hombres y mujeres, tenemos que aportar nuestros esfuerzos para una solución pacífica de nuestro problema. Muchos creen que si no es ahora, puede que sea nunca.

Barcelona, 13 de abril de 2011
Juan Tomás Ávila Laurel
.

Monday, April 04, 2011

Burocracia y mucho ‘bling bling’


Reportaje de una estancia en Guinea Ecuatorial

Llueve. En su casa ha puesto botellas y baldes de agua por todas partes. Está muy ocupado con toda esa agua. Podríamos ir afuera para tomar una ducha bajo la lluvia tropical, pero él prefiere recoger la lluvia y meterla adentro. Para eso tiene que levantarse muy temprano. Mientras tanto pone una olla con agua en el fogón para que podamos ducharnos dentro de un rato con agua caliente. A mí me dice que use el balde azul, y no el rojo. El rojo lo llenaba con agua de lluvia y el azul con agua del pozo. “Esa agua es más limpia y más higiénica para lavarte”, dice. “Puedes usar el agua del balde rojo para el lavabo.”

Una ducha en Guinea Ecuatorial quiere decir echarse baldes de agua en la cabeza. Pero no te puedes echar todo el balde de una vez porque se pierde el agua, por eso siempre se ve flotando en el cubo grande otro más pequeño, para que puedas dosificar las cantidades. El agua aquí no es algo natural, es una tarea diaria. Y hay muchas cosas más que no son naturales. La electricidad, por ejemplo. Cada vez que llegamos a su casa hay una cierta tensión. ¿Habrá luz? No, otra vez no hay luz. Pero incluso cuando hay luz, sabemos que puede irse en cualquier momento. Su casa se encuentra al borde de la capital, Malabo, en la isla de Bioko. Hay fango y desorden en el camino a su casa. Lo mismo que en toda la ciudad en donde no parece haber medidas públicas. Nunca llegas con los pies secos, ni limpios, pero contento porque no te caíste en uno de los tantos huecos profundos que tiene el pavimento. “Mira al suelo”, me dice constante, y cuando llegamos a su casa me lava los pies. Con agua del balde azul. Por supuesto.

Él es Juan Tomás Ávila Laurel, el único escritor crítico que todavía permanece en el país. Todos los demás han huido por la dictadura. Lo conocí la última semana de mi estancia en Guinea Ecuatorial. Escribe sobre la corrupción, la falta de libertad, la negligencia en la sanidad, la falta del agua y de electricidad, y otros problemas del pueblo. Gran parte de la ciudad se encuentra en la oscuridad completa en la noche, aunque últimamente la situación parece haber mejorado un poco. Antes los estudiantes se reunían bajo las lámparas de los hoteles en vías de construcción para estudiar. Hoy en día se les puede ver cerca de Sofitel Hotel, el centro neurálgico de la ciudad, uno de los pocos lugares con conexión a internet. Todo el que tenga alguna importancia en este país rico en petróleo, o con ciertos intereses, se encuentra en el Sofitel. L-3 Communications (una empresa de seguridad americana, emparentada con la CIA) tiene allí su oficina, justo al lado del palacio de color pirulí del presidente. También Barack Obama quiere meter la mano en el asunto del petróleo guineano.

El presidente, Teodoro Obiang Nguema Mbasogo, tiene un palacio en cada ciudad. Su palacio más grande está en Bata, la ciudad más importante en Río Mundi, en la tierra firme. Se encuentra tras los muros, en un terreno gigantesco vigilado por militares. Una ciudad en una ciudad en la que nadie puede entrar. Al lado de los muros viven los militares con sus familias. Las casas demasiado altas las destruyeron porque le quitaban la vista del presidente. Para saber lo que hay detrás de los muros se tiene que cruzar en avión. Por coincidencia yo me encuentro en el avión al lado de la ventana por donde puedo ver los edificios color pastel y estilo clásico. El conjunto de edificios tiene algo de una tarta con piscina y terreno de golf que forma el centro de una finca enorme.

Bata tiene una calidad a lo Disney. Destruyen los antiguos edificios coloniales para reemplazarlos por construcciones de palacios cubiertos con azulejos de baño. Se ven muchas fachadas brillantes con diseños abstractos. “Arquitectura de baño”, dice mi acompañante americano. Según él, el resultado de una idea falsa de modelos occidentales. Podríamos llamarlo también ‘posmoderno’, pero de un posmodernismo africano, con mucho ‘bling bling’. En Bata han hecho un tipo de jardín en el mismo estilo que nadie sabe para qué sirve porque no está permitido entrar. Aunque muchos edificios brillan, siguen pareciendo envoltorios vacíos, sin objetivo. Arquitectura de fachadas que sólo parecen querer dar una imagen de imponencia.

‘Bling bling’ hay en todos los objetos aquí. No sólo se ve mucho brillo en los cristales reflectantes de los edificios, sino también en la ropa reluciente, y en los caminos decorados con señales sin sentido y con una proliferación de rotondas. En Evinayong, una pequeña ciudad a unas dos horas en coche de Bata, me quedo a dormir en casa de unos misioneros en donde uno de ellos es programador de ordenadores. Me cuenta que a la mayoría el ordenador sólo les parece interesante si tiene programas ‘guay’. No importa si esos programas funcionan en ordenadores muchas veces antiguos.

Me pregunto si la burocracia y la predilección por los sellos también tiene que ver con la necesidad africana del resplandor y del glamour. En la oficina de turismo en Malabo, que resulta ser una oficina poca decorada, encuentro a un funcionario de aspecto jovial, rodeado por pilas de papeles. Necesito documentos para poder viajar y hacer fotografías. “Eso va a ser muy difícil”, dice el hombre. “Porque los ministros que tienen que firmar no están.” Todo resultan estar en un congreso en Bata. Pero tal vez lo logro, si me esfuerzo bastante en ello. Me manda a la Tesorería General para recoger los papeles y los sellos necesarios. Si vuelvo con esos papeles dentro de unos días él va a ver lo que puede hacer. Mientras tanto se asoma por detrás de su silla con un cigarillo encendido en la boca, apuntando a una foto amarilla de sus hijos cuando todavía eran jóvenes, y charlando sobre fútbol.
Los papeles que compro en el edificio de cristal reflectante y semi redondo tienen un aspecto fascinante. De hecho es papel ciertamente distinguido aunque vacío, con el escudo de la República de Guinea Ecuatorial impreso en la parte superior. Ese papel va acompañado de un tipo de bono que llaman ‘timbre de Estado’, mencionando ‘pago al Estado’. Me dan la instrucción de escribir una carta al ‘excelentísimo ministro’, y entregarla junto con los timbres a los del turismo. Entonces vuelvo al sitio del señor en su despacho que justo en ese memento pronuncia un discurso bastante teatral ante un público que parece ser su personal. Después de un rato me deja entrar, y todo empieza de nuevo desde el principio. Otra vez me dice cuán difícil es que me den un permiso para viajar, me cuenta cómo están sus hijos que ya son adultos, y cuán maravilloso es que el equipo de Holanda casi ganara el campeonato de fútbol. A la vez estudia mis papeles con cierta precaución, o por lo menos finge hacerlo. Da su aprobación y los grapa. “La espera ahora es la espera al ministro”, dice. Y me aconseja que vuelva después de unos días.
Así es como suceden las cosas en una dictadura burocrática. La palabra clave es ‘paciencia’. “Ten paciencia”, es lo que me dicen cada vez que necesito un documento. La prolongación de mi visado, por ejemplo. Para eso también se necesita enviar una carta con sellos al ministro. Y eso va a través de la Policía Nacional, situada en un edificio moderno en las afueras de la ciudad donde empieza la selva. Esta vez les dejo la tarea a otros. Un escribano escribe la carta ‘Por una Guinea mejor’. Pero eso no es todo. Esta vez el ministro está ‘enfermo’, y por eso no puede firmar. Intento que me den la prolongación sin soborno. Para eso tengo que visitar varias veces la oficina de policía, y al final sólo tengo éxito porque me he puesto un vestido muy escotado. En Bata hace falta pedir otra prolongación, pero allí ni siquiera el escote ayuda. La actitud es más bien hostil. Hay un ambiente de ‘nosotros no en Europa, vosotros no aquí’. Eso es lo que me dicen literalmente e incluso se niegan a hablarme. Los papeles ya recibidos en Malabo los declaran simplemente nulos. El asunto es imposible y por eso decido posponer el problema del visado. Dan visados para quince días y me quedan todavía diez. Después veremos.

En el interior viajo al parque natural de Monte Alén. Dicen que allí hay gorilas, pero el único gorila que yo veo es el de la imagen en la camisa del director del parque. Él mismo camina incluso un poco como un gorila. Para ver gorilas y elefantes de verdad, se tiene que entrar mucho más en la selva, y eso no es posible porque las cabañas están deterioradas. Sólo es posible hacer caminatas cortas que no van suficientemente lejos para ver a los animales salvajes prometidos en mi guía sobre Guinea. Huyen además por el ruido enorme del camino que están construyendo los chinos, presentes en todo el país.

Aquí en el interior perdido la moral es un poco relajada. La dueña del bar del pueblo no tiene ningún problema en prestarme a su esposo por una noche. “Para que no te sientas tan sola”, dice ella. El hombre está sentado frente a mí y la escucha con una actitud resignada, mientras su esposa amamanta al bebé. Beben mucha cerveza. Hay unos hombres borrachos y las mujeres escasas de ropa. Se les salen los pechos de los escotes, y no sólo para amamantar a los bebés.

En este lugar remoto yo misma cocino mi comida, aunque hay un cocinero que me enseña a cocinar a lo africano. No hay agua ni secadero de vajillas. De vez en cuando limpiamos los cubiertos con un paño no muy limpio, y yo lavo las verduras con agua mineral. Mientras cocinamos cada cinco minutos se va la luz. En estas circunstancias me siento muy torpe, pero al fin y al cabo logro preparar algo aceptable entre los intervalos de ‘luz-no-luz’.

De vuelta en Bata lo bueno es que hay más luz. A pesar de eso decido empezar otra aventura. Viajo a Corisco, una isla que pertenece a Guinea, pero que está situada cerca de la costa de Gabón. Queda aún por ver si es posible hacer la travesía de la tierra firme a la isla, sin caer en las manos de los militares. Llevo una carta de recomendación del cónsul español, y una carta de uno de los jefes de Somagec, una empresa marroquí que construye un aeropuerto en la isla. Ellos pueden llevarme en barco. Pero una vez en Cogo me tropiezo con un grupo de españoles que van en cayuco, y me invitan ir con ellos. Llego mojada hasta los huesos.

Los marroquíes son los grandes malhechores en la isla. Construyen aquí un aeropuerto fuera de toda proporción con una pista enorme que ocupa media isla. Aunque esa empresa marroquí ayuda al presidente a joder la isla, sus obreros son muy amables. Cuando me llevan de regreso a la tierra firme me cuentan mucho de los planes presidenciales. Junto con el rey de Marruecos, Obiang quiere construir aquí un palacio. El aeropuerto enorme sólo sería para su propio uso. Y para impresionar a los gaboneses, me dicen. Comportamiento ostentoso de alto nivel. También aquí resulta haber petróleo, y el tema es quién puede reclamar ese petróleo. Las fronteras con Gabón nunca se han establecido definitivamente, y un despliegue de fuerzas tiene el objetivo de mostrar quién es el dueño de la isla. El presidente ha traído a un abogado de Washington para resolver la diferencia fronteriza. Hablo con ese abogado en el Sofitel una semana más tarde.

El hotel Sofitel es un ir y venir de hombres de negocios, americanos relacionados o no con la CIA, y alto dignatarios de distintos países europeos y africanos. Después de mi viaje por el interior y a Corsico los americanos me confunden con una espía para el servicio secreto holandés. Porque ¿a quién se le ocurre viajar voluntariamente a un país con una dictadura como la de Guinea Ecuatorial?
Cerca de uno de los palacios presidenciales nos detienen los militares. Estamos en un coche alquilado con chófer, y uno de los pasajeros quiere examinar el palacio de cerca. Así pasamos por las barreras abiertas, tal vez con aspiraciones demasiado turísticas. Estúpido, pero no nos parece ningún crimen. El grupo de militares que nos detiene, algunos con cerveza y sólo unos llevando uniforme, no está de acuerdo. Según ellos tenemos ‘un problema serio’ por encontrarnos en el terreno del presidente. Eso significa entregar pasaportes y recibir amenazas e intimidaciones, algo que hace que el americano entre nosotros prefiera elegir ‘la solución americana’. Paga una suma absurda para salir de la trampa y nos dejan ir. Pero todavía no estamos: un poco adelante en el camino hay otro grupo que hace lo mismo. Esta vez todos llevan armas y uniformes. El americano paga otra vez.

Esto ocurre en Moka, en la isla Bioko donde los bubis tienen la mayoría. Ellos son simpáticos. Antes del incidente del palacio un profesor bubi nos recibió en una forma muy amable, nos enseñó su escuela con mucho entusiasmo, y nos contó de la cultura bubi. A pesar de eso fuimos desplumados sólo un rato después por los militares. Aquí la frontera entre cielo e infierno es delgadísimo.

En Guinea Ecuatorial viven más grupos étnicos. Los más importantes son los bubis y los fang. Esos grupos pocas veces se mezclan y muchas veces se desconfian. Los fang forman el grupo más grande. Consideran a los bubis como humildes y cobardes. Corisco y Annobón tienen sus propios grupos y lenguas. No ayuda para promover la unidad en el país. Aún menos si cuidan en primer lugar a sus propios clanes familiares.

El presidente y su familia pertenece a los fang. Tiene que contentar a un montón de hijos, hermanos y hermanas. Todos viven en casas grandes o en palacios, también en el extranjero. A pesar de la riqueza que da el petróleo la mayoría del pueblo vive en pobreza, y Obiang los tiene a todos bien atados por opresión. Todavía estoy en el país cuando en agosto ejecutan a cuatro miltares. Me dicen que lanzaron sus cuerpos en una fosa común sin dar a sus familiares la posibilidad para despedirse.

Tengo nervios cuando salgo del país. En el control de los pasaportes un empleado de aduanas bastante malhumorado estudia cuidadoso todos mis visados para concluir que el último visado sería uno ‘permanente’ en vez de uno ‘turístico’, y por eso no válido. Le ruego que me deje ir. Al final pone el sello para la salida con desgana. Mientras tanto me muero por salir del país.

Anita Brus
Marzo 2011

Saturday, March 26, 2011

Carta de queja a Qorvis por trabajar para los Obiang

QORVIS COMMUNICATIONS
Rhode Island / Connecticut Avenues NW.
1201 Connecticut Ave Suite 500 Washington, DC 20036
Phone: 202-496-1000 Fax: 202-496-1300
CONTACT: Michael Quint, Qorvis Communications (mquint@qorvis.com)

March 25 2011

Dear Sirs,

The object of this letter is to reject all the works that QORVIS are doing for the Dictator Teodoro Obiang Nguema of Equatorial Guinea and his son as has been published by Huffpost Politics (the link is http://www.huffingtonpost.com/2011/03/24/lobbyist-mideast-unrest-departures_n_840231.html

We want to announce you that we get indignant with your enterprise as we are explaining in our facebook group “Apoyo a Juan Tomás Ávila Laurel” composed by 2.640 persons, and available at http://www.facebook.com/home.php?sk=group_193089854054295&ap=1#!/home.php?sk=group_193089854054295&ap=1.

Your relations are a shame for the global citizenship and a bad example for other enterprises that use strict ethic and moral values in the business world.

Regards,

Grupo de Apoyo Juan Tomás Ávila Laurel

Tuesday, March 22, 2011

PROHIBICION DE LAS MANIFESTACIONES PACÍFICAS Y LAS REUNIONES POLÍTICAS EN GUINEA ECUATORIAL LOS DÍAS 20 Y 23 DE MARZO DE 2011

17 DE MARZO

17 de marzo por la mañana (Fuente: ASODEGUE)
UP convoca concentración en Malabo para el día 23
Unión Popular (UP) ha solicitado permiso a las autoridades guineoecuatorianeas para celebrar una concentración en Malabo el próximo día 23, en la calle Nigeria (en las proximidades del Ayuntamiento) a las 10 de la mañana. La concentración se convoca para reivindicar las libertades básicas para el pueblo de Guinea Ecuatorial y la mejora de las condiciones sociales. El dictador aludió a esta convocatoria en su intervención de ayer ante la Cámara de Representantes del Pueblo. Al final de su discurso, que estaba leyendo, improvisó una serie de frases en las que acusó a los convocantes de intentar provocar una revuelta y de perjudicar la imagen del país en el exterior.
Recogida en Afrolnews.


17 de marzo por la tarde (Fuente: ASODEGUE)
Obiang justifica reivindicaciones a favor de la democracia "dentro de un orden"
MADRID, 17 Mar. (EUROPA PRESS) - El mandatario de Guinea Ecuatorial y actual presidente de turno de la Unión Africana (UA), Teodoro Obiang Nguema, ha advertido, en relación con las revueltas políticas que se viven actualmente en algunos países de África, que las "justas y legítimas" reivindicaciones de los jóvenes a favor de las reformas políticas deben llevarse a cabo "dentro del orden" para que no se transformen "en rebeldía y desobediencia civil".


18 DE MARZO

18 de marzo por la mañana (Fuente: ASODEGUE)
Presiones a UP para que retire la convocatoria de la concentración del día 23 de marzo
Personas cercanas al gobierno de Guinea están intentando presionar a los dirigentes de la formación opositora para que desconvoquen la concentración del día 23. Cosas como "el gobierno está muy preocupado" o "podría haber detenciones y cuando estés en la cárcel el gobierno puede entregar tu partido a otra persona" son algunos de los argumentos utilizados por estos "correveidiles" del gobierno.


21 DE MARZO

21 de marzo por la mañana (Fuente: ASODEGUE)
El gobierno guineoecuatoriano desestima peticiones de "reunión pública" de CPDS en Malabo y en Bata
CPDS había pedido autorización para celebrar mítines ("reuniones públicas"), en Malabo y en Bata, ayer día 20 de marzo. El gobierno respondió negativamente a esta petición. CPDS insistió en su solicitud y las autoridades gubernativas llamaron el pasado viernes a representantes del partido opositor para comunicarles que no iban a autorizar reunión alguna, que no entendían la "resistencia" de CPDS a su decisión y si mantenían su decisión de llevar a cabo los mítines "se atuvieran a las consecuencias". Finalmente las reuniones no tuvieron lugar.

21 de marzo por la mañana (Fuente: ASODEGUE)
Hoy se cumple el periodo legal de respuesta a la solicitud de concentración de UP
Conforme a la legislación ecuatoguineana en el día de hoy se cumple el periodo legal para que la administración de respuesta a la solicitud de concentración del próximo día 23 en Malabo pedida por UP. En Guinea Ecuatorial existe el "silencio administrativo", es decir que si la administración no da respuesta en el periodo fijado por la ley, se entiende que la respuesta es positiva. Fuentes de UP nos comentan que la nota de ampliación de la referencia del consejo de ministros del pasado viernes incluía un comentario sobre estas convocatorias en el que se decía que estaban dirigidas a desprestigiar al país, al Jefe del Estado y a desprestigiar la convocatoria de la reunión de la UA que se va a celebrar en los próximos meses en Malabo.

21 de marzo por la tarde (Fuente: ASODEGUE)
Más sobre la convocatoria de UP
"La Unión Popular (UP), partido de oposición en Guinea Ecuatorial, ha solicitado de la dirección General de la Seguridad Nacional una autorización para realizar una "concentración pacífica" en Malabo el próximo día 23, en la que va exigir "una real apertura democrática" en el país.
Daniel Darío Martínez Ayacaba, presidente de UP adelantó en declaraciones telefónicas a Efe hoy desde Malabo que están convocados sólo los dirigentes de la ejecutiva nacional, de las provincias y de los distritos, excluyendo la participación de la militancia y población en general.
UP, formación política legalizada en 1992, reivindicará cuestiones sociales tales como la vivienda y el empleo.
Martínez, se quejó de que "la última reunión formal Gobierno-oposición data de 2003", pues "sólo nos llaman cuando se acerca la celebración de unas elecciones".
Lamentó asimismo, que el Comité de los Acuerdos del Pacto Nacional firmado en 1993 que debe reunirse una vez al mes, lleva tres años sin hacerlo.
Para Martínez, "el gobierno está vendiendo una imagen en el exterior que poco tiene que ver con lo que verdaderamente está pasando en nuestro país".
Al denunciar que el 70 por ciento de los trabajadores de empresas son extranjeros, Martínez aseguró que "hemos hecho una investigación y hemos llegado a la conclusión de que las empresas están llenos de extranjeros".
"El guineano ha de tener la preferencia y, lamentablemente no es así", dijo Martínez que aunque está de acuerdo con la inversión en infraestructuras, preguntó "de qué me sirve estar en una plaza bonita si no tengo trabajo ni qué comer? Insistió en que si se autoriza, la concentración que tendrá lugar en la calle Nigeria, donde su formación política tiene la sede, será de "estacionamiento y no se prevé movimiento alguno".
Exigió, por otra parte, que el Ejecutivo ecuatoguineano cumpla con los acuerdos adoptado en la Conferencia Económica Nacional y la diversificación de la economía, invirtiendo en la agricultura que considera uno de los sectores básicos para el país después del petróleo.
Si la Dirección General de Seguridad Nacional no autoriza dicha "concentración pacífica", será desconvocada automáticamente, concluyó Martínez".
Fuente: Agencia EFE, 21 de marzo 2011, Terra, etc.



22 DE MARZO

22 de marzo por la mañana (Fuente: ASODEGUE)
Citan a UP para las 2 de la tarde mientras la policía ocupa Malabo y toma medidas contra una posible manifestación de CPDS en la región continental
Daniel Darío Martínez Ayécaba, presidente de UP, será recibido a las dos de la tarde de hoy en el ministerio del Interior para comunicarle la decisión del gobierno respecto a la solicitud de su partido de celebrar una concentración. UP ha solicitado permiso para celebrar una concentración mañana, día 23, en la calle Nigeria de Malabo (en las proximidades del Ayuntamiento) a las 10 horas. La dirección de UP se reunirá en la mañana y en la tarde de hoy, antes y después de la reunión de su presidente con el ministro. Esta mañana, los alrededores de la sede de UP y toda la zona central de Malabo aparece ocupada por una cantidad enorme de policías fuertemente armados.
En la región continental, en especial en Bata, se aprecia también desde el pasado día 20 una anormal presencia de policías pertrechados con equipos anti-disturbios (cascos, escudos...). Según nuestras fuentes, la policía esperaba que los militantes de la formación opositora CPDS salieran a la calle el pasado día 20, cuando habían solicitado permiso para realizar un mitin en Mlabo y otro en Bata que, finalmente, les fue denegado. Ese día llevaron a cabo diversos actos en la sede de su partido y la policía esperaba que a la salida intentaran una manifestación. Ayer día 21, aumentó en número de policías en calles de Bata e incluso algunos de ellos patrullaron por las ciudades de la región continental. En uno de estos desplazamientos al interior, el teniente coronel de la policía, Pedro Engonga comunicó a los distintos "jefes de poblado" que, según sus informaciones, CPDS tenía intención de llevar a cabo una manifestación antes de fin de mes y que no iba a ser tolerada.

22 de marzo por la tarde (Fuente: ASODEGUE)
Prohibida la concentración de mañana
El ministro del Interior, Clemente Engonga Nguema Onguene, ha comunicado a la dirección de Unión Popular (UP) la prohibición de la concentración que tenían solicitada para el día de mañana. El ministro ha asistido a la reunión con UP acompañado de representantes de todos los partidos (?) acólitos y coaligados con el PDGE que, sin embargo, no han tomado la palabra en ningún momento. Clemente Engonga ha advertido a la delegación encabezada por Daniel Darío Martínez Ayecaba de la responsabilidad en la que incurrirían si desobedecían las ordenes del gobierno. Malabo está ocupado con un amplio despliegue policial que incluye la presencia de tanquetas. El número de policías es especialmente notables en la calle Nigería, el lugar en el que la formación opositora había convocado la concentración para las 10 horas de mañana. El ministro del Interior ha anunciado a la delegación de UP la intención del dictador de reunirse con todos los partidos legalizados el próximo jueves.