Saturday, June 02, 2007
El 'Gran Show del donante' II
01/06/2007 Actualizada a las 22:59h
La Haya. (EFE).- El "gran espectáculo del donante" se emitió hoy en un canal de la televisión holandesa pero al final no hubo un premio de un riñón, sino que el programa resultó ser un montaje para sensibilizar a la población para que done sus órganos.La gran sorpresa se guardó hasta el último momento cuando, antes de saberse el ganador del programa (y del riñón), se reveló que no se iba a producir una donación, que la donante enferma de cáncer era una actriz y que el objetivo de la emisión era concienciar a los holandeses."Ló único cierto aquí es que estas tres personas son enfermas renales y que necesitan un riñón", dijo el presentador del programa del canal BNN que tantas críticas despertó durante esta semana en el Parlamento holandés y a escala internacional.Los tres concursantes, que incluso parecían preocupados cuando el presentador hizo la pregunta de mal gusto de "¿quién va a llevarse el riñón a casa?", declararon al final del espectáculo que habían participado en la farsa para concienciar a la gente.Los participantes eran una mujer de 36 años, locutora de radio, un joven estudiante de enfermería de 19 y una asistente social de 29 años que trabaja con disminuidos psíquicos, y que fue la favorita del público que envió mensajes SMS al estudio de televisión.Los telespectadores vivieron hasta el último momento un verdadero "reality show" en el que primero se presentó a la enferma de un cáncer incurable -Lisa, que realmente se llama Leoní- como una mujer a la que supuestamente le quedaba medio año de vida pero que quería tener un gesto altruista y alargar la vida a un enfermo renal.Además, esta decisión estaba reforzada por la reciente muerte de un amigo suyo que no recibió un riñón a tiempo, lo cual tampoco era cierto.La vida de los tres enfermos renales se documentó con vídeos de sus quehaceres cotidianos y con entrevistas a familiares o amigos próximos, en donde se resaltaban las limitaciones que afrontan por depender de la diálisis.Los participantes también se sorprendieron de la publicidad que ganó el programa antes de su emisión, contra la que se habían manifestado las autoridades del país.Las críticas al programa se mantuvieron hasta el último momento previo a la emisión del espectáculo, porque hoy mismo el primer ministro holandés, Jan Peter Balkenende, quien aseguró que no vería el concurso, lamentó que este tipo de espectáculos "no favorece a la imagen de Holanda en el extranjero".A lo largo del simulacro de reality show, el presentador ofreció datos sobre la caída del número de donantes en Holanda, un país donde 1.400 personas necesitan la donación de un órgano y en el que la lista de espera para recibirlo son de hasta 4,5 años.El canal que emitió el concurso, BNN, fue fundado por Bart de Graaf, un popular presentador de televisión, enfermo renal y fallecido en el 2002 a los 35 años y al que hoy dedicaron este gran simulacro con motivo del quinto aniversario de su muerte.
www.Lavanguardia.es
Tuesday, May 29, 2007
El 'Gran Show del donante'
EUROPA PRESS ELMUNDO.ES
AMSTERDAM MADRID.- Un canal de televisión holandés, BNN, tiene previsto emitir este viernes un programa en el que una mujer enferma terminal selecciona un receptor para sus riñones de entre tres concursantes. La idea ha escandalizado a los políticos del país y el gobierno ha hecho un llamamiento a la cadena para que no lo emita.
Según informa la prensa holandesa, BNN lanzaría el 1 de junio a las 20.30 horas (el horario prime-time en el país) 'The Big Donorshow' (El gran show del donante), durante el que una mujer de 37 años, llamada Lisa, elegirá a una persona con problemas renales para donarle su riñón.
Tomará su decisión basándose en la historia de los concursantes, perfil y conversaciones con sus familias y amigos. Además, los espectadores podrán enviar mensajes de texto aconsejándola durante el programa de 80 minutos a quién debería seleccionar.
"Las opciones de un riñón son de un 33% para cada concursante. Esto es mucho más alto que para la gente que está en lista de espera", ha declarado el presidente de BNN, Laurens Drillich.
Los partidos gobernantes en coalición, los Cristiano Demócratas (CD) y los conservadores de la Unión Cristiana han dicho que el programa era "miserable" y poco ético.
Sin embargo, BNN dice que quiere destacar las dificultades a las que se enfrentan quienes tienen problemas de riñón y necesitan un órgano como un tributo al fundador de BNN Bart de Graaff, que murió hace cinco años de una insuficiencia renal, a pesar de varios trasplantes.
La idea sale de la factoría Endemol, la productora holandesa que inventó el conocido 'Gran Hermano' en 1999. Holanda es pionera en este tipo de formatos, los denominados 'reality shows', que ha exportado a todo el mundo.
Noticia en un periódico español.
Ana:
Queridos blogueros: ¿cómo os parece esa iniciativa? Suponemos que los organizadores del programa son honestos (en Holanda tenemos otro sistema de televisión, las emisoras no sólo son comerciales), y que han buscado una forma para llamar la atención a la escasez de riñones...
¡Dadme sus opiniones!
Saturday, May 19, 2007
Efraim en holandés

Bewegingloze Stad, april, 1989
Eén keer rondtollen met de ogen dicht is genoeg om te verdwalen in andere dimensies. Jij hield niet van dat spelletje, ik moest je snel weer op de grond zetten. Ik veronderstel dat je je meer op je gemak voelde in onze huidige dimensie. Ooit vertelde ik je dat de zonen van het licht nog onbarmhartiger zijn, en nu zul je de gevolgen wel kennen van een leven waarin je bent overgeleverd aan anderen. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik je niet naar de hel wens, maar ik hoef helemaal niets meer te zeggen omdat onze liefde voorbij is en leegte geen ruimte laat voor bedrog.
Ik wedde met Marianne dat het je beter zou vergaan zonder mij en moet mijn verlies nu toegeven. Gelukkig was het niet om veel, hoewel zij…
Ik draai nog steeds met gesloten ogen rond, gehoorzamend aan de roep van het vuur, levend op het scherp van de snede, in de zekerheid dat niemand weet wat hij heeft tot hij het verliest (ik denk dat jij dit wel zult begrijpen).
Ik besef me dat we vroeg of laat allemaal afscheid moeten nemen. Dat is de reden waarom de bijen zoemen, de vogels zingen en dat maakt dat de vogels lachen. Ik weet dat Marianne gelijk had, dat ik je meteen had moeten laten gaan en dat ik mezelf niet voor de gek had moeten houden met valse liefdes en door steeds weer te vergeten. Ik had me moeten beseffen dat niets werkelijk kon groeien in jouw schaduw. En zo zie je maar dat ik niet die harde bikkel ben die ik dacht te zijn en…
Zoals je die middag zei, kun je maar beter liefkozingen ontvangen van idioten, want dat brengt minder risico met zich mee (tjongjongejonge). Goed, nu heb je de idioot waarvan je moeder droomde. En ik zal de café’s kort en klein blijven slaan, vrouwen van allerlei allooi blijven verleiden en blijven drinken tot ik er bij neerval. Ik zal de perfecte alibi blijven voor je echtgenoot en voor je moeder, zodat ze kunnen zeggen: zie je nou wel, die figuur zal altijd een mislukkeling blijven, een ongelikte beer zonder scrupules, een… (terwijl hij, je echtgenoot, zo schoon en bedeesd oogt). Ben ik je toch op zijn minst nog met iets van dienst.
Hij die zich in de duisternis begeeft is een onbekende, mijn pijn is anoniem. En als ik je ooit het beste van mezelf gegeven heb is dat omdat het beste tegelijkertijd het slechtste is: gaten in het hart, doorgedraaide nachten, geheime misdaden, onzichtbare zelfmoorden, holtes in de hersenen. Ik ga te ver mijn lief, ik wil je toch zeker niet verbranden? Ik die de vijand ben van deze groene planeet, de man van het vuur, je trouweloze geliefde. Ik ben de god die tekort schoot.
En dan te bedenken dat we samen zo veel zonsopgangen hebben gezien, dat we alles zo intens beleefden, dat ik tot ik je leerde kennen dacht dat alleen de vissen op die manier bewogen, dat onze tijd in de hel opschudding veroorzaakte… (ik vraag me af wat er mis is met een derderangs begrafenis als uiteindelijk toch alles tot stof vergaat). Ondanks alles kwam er iets schadelijks en ondefiniëerbaars op ons pad, maar daarover hebben we het maar liever niet. Misschien heeft deze hele slachting geen zin gehad omdat er uiteindelijk slechts water in jouw hoofd drong…
(de auto die op de binnenplaats staat slijt, de ratten verslinden zijn hart)
Midden op de dag kwam ik aan in Bogotá. Ik stapte uit de bus en liep richting een park. Ik had geen idee waar ik was, noch wat mijn volgende zet zou zijn. Ik was hier nooit eerder geweest en bij het zien van de bergen voelde ik me verloren. Op een bankje wachtte ik op de ingeving van een fantastisch idee, op iets wat me richting zou geven. Maar in plaats van een idee kwam er een oude man die me om geld vroeg en die erger stonk dan ‘Bewegingloze Stad’. “Je bent hier op de verkeerde plek”, zei ik tegen hem. De oude begon te lachen en me meteen ook te beledigen. Ik bleef rustig en bekeek het lichaam waar eens een menselijk wezen in gehuisd had. Zijn ogen hadden een mooie paarse kleur en hij had een krachtig breed voorhoofd waarin slechts kadavers van insecten achtergebleven waren. Hij sloofde zich uit zonder mij iets te doen en vertrok vervolgens om een ander voor rotte vis uit te maken. Daarna kwam er een jongen op me af die marihuana wilde verkopen en van wie ik het beetje kocht dat ik oprookte tot mijn gevoel van moeheid plaatsmaakte voor een wereld van erotische wellust waarin elke boomtak betekenis kreeg. In mijn versleten koffer droeg ik de fragmenten van een potentiële roman en in mij jaszak had ik genoeg geld voor drie dagen in een armoedig hotel. Een meisje rukte me los van de takken en vroeg me een trek van mijn sigaret. Zo werden we vrienden. Haar moeder verhuurde kamers. “Ik heb niet veel geld”, zei ik. “Er is een zolderkamer. Ik haal mijn moeder wel over voor een maand”, zei zij, terwijl ze met dromerige ogen een trek van haar sigaret nam. “Later zie je wel hoe je het redt.”
Het was een minimale zolderkamer, maar warm als de kont van een kip. Silvana (zo heette het meisje) en ik werden elkaars geliefden. Het is nog steeds een van de mooiste liefdes die ik ooit gehad heb! Elk nacht zonk ik weg in haar grijsbruine ogen en ik begrijp nog steeds niet waarom ze zich van kant heeft gemaakt, maar dat is een ander verhaal… Op de etage van die zolderkamer boog ik me elke nacht over mijn roman. Silvana had me een oude Olivetti geleend waarvan de letter G ontbrak. Ik was erg tevreden over de titel die ik mijn roman gaf: “Bijt je in niets vast dat je niet binnen 5 seconden weer los kunt laten”. Op een middag maakten we ruzie en schreef ik haar een brief om het weer goed te maken:
Bogotá, juni, 1989
Het is nog steeds middag. Een sterke maar vredige zon schijnt tussen de gebouwen door en vult de bladeren van de bomen met goud. Het is hier stil en misschien onrustig. Ik vermoed dat elke minuut onbedoeld een eigen verklaring heeft. Er stond een boodschap op het antwoordapparaat, maar geen spoor van uren en ruimte. Alleen jij kent de beweegredenen van je handelingen,voor mij blijft alleen de afstand over en de lege ruimte tussen twee oranje regels. Misschien moest je weg om bepaalde afspraken na te komen, maar ik schrik ervan als ik niets van je hoor. Ook ben ik bang dat we, als ik me al te zeer haast, in een soort doolhof terechtkomen. De klok tikt genadeloos verder, die klok kan het niet schelen. Je weet dat ik erg veel van je hou en misschien bel je op een bepaald moment toch. Dit alles is niet treurig als ik bedenk dat je zachte stem straks door de telefoon de moordende seconden zal wegvagen, zodat alles opnieuw kan beginnen. In het schijnsel van de koplampen van een willekeurige auto zijn de ogen van een haas als kleine verbaasde zonnetjes in de nacht. Ik weet niet hoe lang ik zal kunnen wachten want ook mijn tijd telt. Ik weet wel dat harten tollen en dat alles soms ingewikkelder wordt in het hoofd: dat het hoofd in staat is zijn eigen raadselen te creëren waarmee het alleen zichzelf kwelt. Ik adem en denk aan de valkuilen in de harde contouren van deze nacht. Ik adem en zie auto’s, overstekende mensen die allen proberen aan de overkant te komen maar die daar nooit allemaal in kunnen slagen. De wagons van de angst zijn overvol en ik weet niet in welke ik reis. Die middag, de gesprekken op het gras, dat geweldige gesprek, die onverwachte glimlach. Waarom kan niemand zich ooit voorstellen hoe het zou zijn? De middag dooft uit tegen mijn huid, hier in deze kleine zolderkamer die zonder jou slechts een gevangenis is, alleen maar een graf, een bedorven illusie. Op dat soort momenten walg ik ervan op mijn instinct af te gaan. Ik zou er wat betreft mezelf de voorkeur aan geven niemand te zijn, misschien een sereen spook dat toeziet hoe twee arbeiders zijn wereld stukmaken. Waarom met deuren slaan als alleen gedag zeggen genoeg is? Mijn woorden zijn als asteroïden onder de robuuste sterrenbeelden; niemand zal ooit de geheime poort kunnen openen en het risico zal nooit groot genoeg zijn. Het zal gewoonweg nooit genoeg zijn. De schaduwen tasten elk gouden blad aan, elke gedachte, elk jaargetijde. Ik sta op en tol rond, terwijl de muziek het laatste beetje licht uit jouw ogen wegneemt. Ik ga ervan uit dat alles zijn verklaring heeft, maar dat die verklaringen op zichzelf staan; dat dat wat dit ogenblik rekt zichzelf niet kan voorbijstreven. Hier zul je voor altijd zijn als de onzichtbare echo van een absurde klap, als de herinnering aan een onschuldige gebeurtenis, als die bewuste namiddag die nog op je wacht.
In een of ander interview zei ik dat Bogotá mijn Amerikaanse droom was en dat bedoelde ik niet als grap. De roman die ik meebracht in mijn koffer bleef in de stad die me niet alleen mooie en zachtaardige meisjes in duistere gemoedstoestanden gaf, maar die ook ook blijvend de toon van mijn verhalen veranderde. Het kon me nooit al te veel schelen wát ik in mijn boeken zei, het deed er voor mij eerder toe hoé ik het zei. De ideeën zwerven door de wereldgeschiedenis en herhalen zich. Ze zijn koud als de nachten van Alaska. Ik wilde geen ideeën verzamelen en ook geen religie uitvinden; ik wilde de esthetische codes benadrukken van de taal waarmee ik was opgegroeid. Mijn vrienden en ik deelden een soort taal waarvan de dichtheid bepaald wordt door: western en underground films, rock en oude populaire liedjes, in leer gestoken blondines die banken beroofden en er vandoor gingen in rode auto’s, donkergekleurde buurvrouwen die we zoenden op de hete straathoeken van ‘Bewegingloze Stad’, vissers die ervan droomden wereldkampioen boxen te worden en aan te komen op Madison Square Garden, Antilliaanse klanken en klanken uit New York, onbereikbare hoeren die trouwden met politici en schoonheidskoninginnen op een Mercedes Benz van een of andere maffioso, dromen over Sharon Stone, mestiezendromen op het randje en mestiezen die dromen van geurige werelden die ze zien op de tv om even later te gaan slapen in de drek. Bogotá drong binnen in mijn angsten en blies mijn wereld op. Eind jaren tachtig en begin jaren negentig dwaalde ik er rond terwijl ik over de ruïnes van de bommen sprong en mijn woorden polijstte tot ze de scherpte hadden van dat wat Bogotá in mij achterliet; in die lange jongen met een aftandse koffer die daar ooit midden op de dag was aangekomen om er niet meer weg te gaan. Ik weet niet of het leven beter is in een andere stad, of het beter zou zijn datgene wat ik ben en doe te veranderen. Ik vraag het me zelfs niet af, het bevalt me hier te zijn beland zonder daar de reden van te kennen. In die zolderkamer had ik hetzelfde gevoel als nu, dat gevoel op je plek te zijn, alsof je je op het juiste feestje bij het meisje aan de bar meldt met exact die zin die zij verwacht. Silvana vertrok waarna er nog honderden namen volgden, maar Silvana blijft. Nadat ik het zolderkamertje had verlaten zagen we elkaar nog enkele keren en twee jaar later vertelde iemand me dat ze zich van kant had gemaakt in een taxi. Het bericht van haar dood viel samen met de reis van Ma-pi, een meisje uit Quebec met wie ik samenwoonde en dat mij eveneens verliet. Zoals ik altijd doe wanneer ik overmeesterd wordt door pijn, schreef ik een brief gericht aan Ma-pi:
Bogotá, december, 1992
Gisteren heeft Silvana zelfmoord gepleegd (dat vijftienjarige meisje dat mij bezocht op mijn zolderkamer). Ze schoot zichzelf door het hoofd in een taxi. Ik veronderstel dat het tijdschrift ‘People’ hieraan geen aandacht besteedde. Maanden dacht ik erover haar te bellen en nu is het laat, maar toen schoot mij te binnen; misschien woont Ma-pi nog in de Rue Morgan, en ik begon aan deze brief. Ik had niets in gedachten, hooguit losse flodders als: mijn moeder belt me twee keer per maand en vertelt me dan dat de regen de auto naar de filistijnen helpt en dat ze niet weet wat te doen. Toen ik ‘Bewegingloze Stad’ verliet beloofde ik hem binnen twee maand op te knappen en nu is hij al jaren gestrand op de binnenplaats (er zijn inmiddels duizenden stortbuien en stralen zonneschijn overheen geweest, hij zit vol met spinnewebben en er is al verschillende keren een poes bevallen op de achterbank, er wonen daar zelfs kabouters).
Ik stel mij voor dat je bijna klaar bent met de universiteit, met Heidegger als je stokpaardje. Arme Ma-pi, verliefd op de ideeën, arm meisje, diepzinnig en zwaar als een steen op de bodem van de zee. Word niet boos, dat van Silvana raakt me niet, ik vond haar een aanstelster… Geweldige dichters praten alleen in zichzelf, gaan nooit in bad en ze schrijven ook geen huilerige brieven. Zij dacht dat ik er zo een was. Ze leverde zich aan mij over en zei: “Wijs me de weg, geef me je liefde en neem mijn lichaam, je bent een dichter, pas goed op mij, dichter.” Iemand die mij zoiets zegt, goh. Ze was niet beroemd noch arm, ze had niets om zich in te bewijzen, ze was ook niet zwart en wist niets van Jimmi Hendrix, ze deed slechts. Ze gebruikte geen drugs, is niet een typisch geval van ‘People’ of ‘Cosmopolitan’: ze is het eenzame hart dat door de winterse nachten strompelt, de afstand die zich verwijdert door een grote gang in een rolstoel, door de smalle gangen van ons bewustzijn, het vertrouwen in anderen. Ik haat mensen die op mij vertrouwen: wanneer je op iemand vertrouwt geef je een grens aan. Dat vertrouwen is een dikke muur waarvan men verwacht dat je hem niet omverwerpt en niets is verleidelijker; het is als een zondagse taart op de tafel van een weeshuis, als een blote meid in de kleedkamer van een boxer, als een biljet van honderd dollar bij de uitgang van de bioscoop. Wanneer je op iemand vertrouwt maak je in hem zijn duivelse overtreder wakker. Vertrouwen is vies, het is alsof je tegen de ander zegt: “Je kunt me niet verraden want dan ga ik dood.” Dit past niet bij mensen die authentiek zijn, hoe kan ik aan de duivel trouw beloven als ik daarmee zelfs mijn eigen natuur verloochen. Op iemand vertrouwen is die persoon dwingen een code te respecteren. En als je dan toch op iemand vertrouwt, waarom is het dan nodig dat hij iets belooft, waarom duw je hem tegen de muur en dwing je hem beloften af. Ik word misselijk van het stellen van voorwaarden, vooral als er geen voorwaarden zijn.
Ik weet dat je verbitterd wegging, dat ik je verpletterde onder vragen en nog meer… Er is nu niets speciaals aan de hand, ik luister naar Dizzy, haar stormachtige geblaas duwt me omver, en ik denk aan Silvana: ze zei altijd dat ze haar moeder haatte (dat hoeft niet nader toegelicht, wie in’s hemelsnaam heeft zijn moeder niet gehaat?) zonder te begrijpen waarom. Het ging om een abstracte haat, een haat zonder reden. Ze haatte haar moeder zoals men de smaak van een of andere vrucht kan haten of van koud water in de winter; pure haat, gezond en onveranderlijk. Haat zonder aanklacht noch raadselen. De moeder leek die haat te beantwoorden, het ging om een extra band tussen de twee. Ik vond het prettig naar haar te kijken, ze lachte om wat ik vond. Ze schreef enkele gedichten, mijn favoriete luidt: “Behalve de moordenaar zijn alle anderen slachtoffers/de slachtoffers rennen naar de viaducten/en het interieur van de verlaten kerken/De moordenaar loopt in de straat/hij is arrogant en mooi/Behalve hij weten ze allemaal dat ze gaan sterven/Hij staat rokend op de hoek/later gaat hij naar huis/scheert zich/kust zijn meisje/Behalve de moordenaar hebben alle anderen schuld.”
Ik vind het afschuwelijk dat ze zo vertrokken is, ik schonk nooit aandacht aan haar als ze sprak over zelfmoord.
In een stad moet men zich roeren. Het doet er niet toe wat men doet, als men zich maar roert. Men kan zich zestien uur wentelen in- en overgeven aan verdriet, maar daarna moet er opnieuw begonnen worden. Het personage Slacks van Boris Vian heeft iets verrukkelijks… Het gaat om een vrouw die autorijdt met de blik stijf gericht op de weg in de hoop dat er een hond oversteekt om hem aan moes te rijden. Alleen dat windt haar op. Maar dat alles treedt naar de achtergrond terwijl ik het eten klaarmaak en met Marta praat. Haar stem heeft een timbre dat me bevalt. Het maakt niet uit wat ze zegt, de klank is genoeg.
“Dat hangt ervan af”, zegt ze.
“Ja, dat hangt ervan af”, zeg ik.
“Heb je dat gedicht al geschreven?”
“Welk?”
“Dat van die twee soorten afwezigheid”, zegt ze.
Ik herinner me twee personages van Salinger. Ramona, de dochter van Eloise. Een bijziend meisje dat op de rand van het bed slaapt om haar denkbeeldige vriend niet te verpletteren. En Muriel, een meisje dat slaapt terwijl haar vriend zijn de hersens aan flarden schiet met een Ortgies kaliber 7,65. Het is om moedeloos van te worden als je hieraan denkt, kijkend naar hoe de pasta zwelt in het hete water. Ik draag het gedicht voor dat zij zo mooi vindt.
Er zijn twee soorten van afwezigheid /Bij de ene komt de afwezige niet terug /Bij de andere gaat de afwezige niet weg /De ene is overgoten door zon /De andere maakt dat het glas beslaat en droogt het gras als het al droog is /De ene verandert het lawaai in een avontuur /De andere is een lange zondag zonder tijdschriften.
Ze reageert peinsend. Andere teksten, waarin ik me hardvochtig of in de ogen van vrouwen een vrouwenhater toon, hebben verhitte discussies losgemaakt. Haar manier van kijken heeft me doen beseffen hoe gezwollen ik vaak ben. Op een keer vroeg ze me of ik het prettig zou vinden als Laura Elisa (mijn aanbeden nichtje) sommige dingen die ik schrijf zou lezen. Laura woont in ‘Onbewogen Stad’, ik mis haar elke dag. Ze is al veertien jaar en heeft de stem van een suikerspin. Haar geest is als duizend pretparken. Zij is de enige die weet dat ik Rey Reptil ben, niemand anders kent mijn geheime persoonlijkheid.
We eten en we praten. Op de radio klinken balades van Joe Dassan, mijn favoriete zanger aller tijden. Daarna doet zij de afwas en herinnert me er aan dat ik handschoenen moet kopen.
Alleen al haar aanwezigheid doorbreekt die saaie zomers van ‘Onbewogen Stad’, vergeven van opdringerige billen, veelkleurige handdoeken en cocos-olie. Ik kijk hoe haar hand langs de rand van een bord strijkt en ik herinner me dat ik me vannacht ineens bedreigd voelde toen ik omhoog klom via de Torens van het Park. Ik keek om me heen zonder stil te blijven staan, maar er was niemand. En toen stelde ik me voor hoe een kogel tussen de bomen door mijn hart doorboorde. Ik slaagde erin mijn lichaam te zien terwijl het over de rode bakstenen treden lag, terwijl de wind gierde en de droge bladeren op mijn voorhoofd vielen. Niemand in de verre omtrek kwam er in geen duizend nachten achter, ook niet Philip Marlowe in eigen persoon, wie de moordenaar was. Ik bracht de nacht daar neergeschoten door en later, bij de schemering van de volgende dag, zou ik retourgestuurd worden naar ‘Bewegingloze Stad’ in een plastic zak. En dat was het dan, punt. Ik versnelde mijn passen, mijn hart ging tekeer en was in een paar seconden loodzwaar, gevuld met angst. Ik ging de flat binnen, omhelste Marta en voelde me gered. Ik zette mijzelf thee en liep naar het raam. In de verte zag ik die stad; haar gebouwen en bomen, haar onzichtbare maar recht op hun doel afgaande kogels. Dat is het vooral wat me bevalt; Bogotá houdt mijn zintuigen scherp waardoor ik elke seconde meer waardeer. Ik waardeer het minuscule pluisje op de katoenen rode bloes van Marta, evenals haar liefdevolle ogen. De liefde is even gevaarlijk als de stad maar scherpt de zintuigen. Het leven komt zo borrelend binnen. Ik keek naar Marta en even later naar de lichten van de stad. Nee, gered was ik niet, het gegons van iets denkbeeldigs dat voortvloeide uit angst bereikte me via het raam. Ook wat niet bestaat is onverbiddelijk.
Efraim Medina Reyes
Thursday, May 10, 2007
Wednesday, May 09, 2007
Monday, May 07, 2007
Wednesday, May 02, 2007
Monday, April 30, 2007
Saturday, April 28, 2007
Saturday, April 14, 2007
Mienten!

Me llaman
Saturday, April 07, 2007
LOS ESPÍRITUS NO TIENEN PAZ

Aldo Contreras Droguett
Ramiro tomó el volante y puso en marcha el auto. Al lado se sentó su hermano. Ese domingo iban de visita a Villarrica.
A la salida de Temuco, en plena Panamericana Sur, poco después de haber pasado el puente sobre el río Cautín y un poco más allá de la salida a la carretera de Padre Las Casas, los hermanos se miraron. Ramiro en un segundo comprobó que tenía el mismo pensamiento que su hermano y frenó para llevar a la chica que estaba tirando dedo en aquel lugar desolado. Se detuvo a unos treinta metros de donde estaba la muchacha y siguió sus reacciones por el espejo retrovisor. Vieron que intentaba correr con la maleta que traía para alcanzar rápidamente el vehículo. Ella era más bien menuda de cuerpo, la maleta que llevaba era grande y anticuada, llena de etiquetas pasadas de moda como su ropa, sin embargo esto no le menoscababa en absoluto su personalidad. Ramiro se bajó en el momento en que la chica estaba por alcanzar el vehículo, le preguntó por su destino, abrió el maletero mientras su hermano ordenaba un poco el asiento trasero donde habían puesto algunas compras que llevaban a sus padres que vivían en el campo en Villarrica.
La muchacha se introdujo en el vehículo alegremente, se acomodó colocando su bolso de lana tejido a telar con motivos de la zona sobre sus rodillas. El hermano de Ramiro le preguntó por segunda vez a dónde iba. Ella le respondió con un susurro claro y definitorio acompañado por una sonrisa. El hermano de Ramiro le contó que conocía la ciudad como la palma de su mano, pues había tenido un amor clandestino en Villarrica. Se acordó de haberle puesto los cuernos con todo gusto a un terrateniente setentón, podrido en plata que únicamente pensaba en jugar en el Casino de Pucón. Ramiro daba clases particulares de piano en aquella época, de esta manera conoció a la mujer del terrateniente, treinta años menor que el viejo ricachón y tan sólo dos años mayor que él; por eso mismo, para evitar la ira del viejo cornudo que espiaba a su bella mujer con un detective privado mientras se dedicaba a gastar parte de la fortuna en el casino, los dos hermanos habían estado obligado a conocer los recovecos de la ciudad palmo a palmo, las entradas y salidas de los bosques circundantes. La chica presintiendo que los hermanos iban a entrar en detalles de aquella historia de cuernos, se disculpó de haber dicho que iba a Villarrica porque en realidad, iba a un lugar antes de llegar a la ciudad.
Entablaron una conversación interesante a pesar de haber empezado mal. La muchacha que era estudiante universitaria, locuaz y comprendía absolutamente todos los temas actuales del país, hacía observaciones agudas y profundas que obligaban a los hermanos a pensar concienzudamente antes de emitir una opinión. El tiempo pasó volando, ni se dieron cuenta como llegaron al cruce donde la muchacha le indicó a Ramiro que se detuviera. Los hermanos le ofrecieron llevarla a casa, pero ella se negó, diciendo que tan sólo eran doscientos metros que tenía que caminar y a ella le agradaba llegar a pie a su casa. En el poco espacio que hay entre la carretera y la cuneta se bajó. El hermano de Ramiro le ayudó a sacar la maleta, que sin ser tan pesada era incomoda tomarla desde el maletero. Ella se despidió con un “nos vemos, gracias”.
Los hermanos siguieron el camino comentando la conversación con la chica y determinaron que cuando tuvieran tiempo harían un recorrido por la región para ver las aldeas y pueblos circundantes donde todavía se consumía productos naturales. Ramiro con nostalgia recordó los tiempos en que comía sin colorantes, emulgentes, conservantes y otros tantos inventos de la modernidad que había llegado hasta allí: al país más austral del mundo.
Ya a comienzo del verano la Panamericana estaba recargada de turistas nacionales y argentinos que iban al Lago Caburgua, a las termas de Palguín, a Pucón o al Parque Nacional Los Paraguas o al balneario de Licán Ray, o ¿quién sabe?, quizás como ellos, iban al lago Villarrica a tomar sol o hacer deporte acuático. A poco después de dejar a Freire perdido en el valle a Ramiro le entró las ganas de desviarse en cualquier punto de la carretera a Villarica, a lo cual consistió su hermano. Se metieron en un camino que sólo tenía asfalto en la entrada, pero se podía fácilmente transitar por él. Iban disfrutando de la vista a la cordillera de los Andes que se veía más cerca que nunca por el efecto del aire puro y caliente. Al fondo siempre el majestuoso volcán Villarrica, con su imponente chimenea que coloreaba a ratos el cielo con humos de diferentes tonalidades y espesor que lanzaba a bocanadas y cubría parte de las estrellas y la luna creciente que se veían en pleno día.
Se detuvieron en el primer letrero que indicaba: “se vende”. Tocaron la bocina para no tener problemas con los perros que salieron ladrando en forma amenazadora hasta la puerta del vehículo. Una mujer baja y delgada, ya de edad, que vestía todo de negro, salió de la casa y apaciguó los animales. Ramiro le preguntó a través de la ventanilla semiabierta si le quedaba miel. La señora que a todas luces no era campesina, les invitó a pasar. Se bajaron del vehículo cuando vieron que el marido de la mujer tenía sujeto los perros. Pasaron a la casa, que era muy sencilla y acogedora. Se sentaron cómodamente y pidieron suficientes kilos de miel para todo el año, para ellos y su madre que tenía una fe enorme a este jarabe que desde hace mucho tiempo utiliza como alimento y medicina para una serie de enfermedades, de la misma manera como la mayoría de los chilenos utilizan el mentolato. El hombre de la casa se acercó a saludar después de haber dejado amarrado los perros que seguían ladrando por la presencia de los desconocidos. El era un típico funcionario jubilado que lucía lo que vestía a pesar de su sencillez. El hermano de Ramiro entabló una conversación con el hombre que al parecer estaba necesitado de visita. Les invitó a tomar un té, que aceptaron por cortesía. Hablaron de mil cosas una hora seguida sin parar.
Ramiro fue el primero en reparar en las fotos colgadas en la pared y el rincón adornado como un altar, con una foto rodeada de acuarelas y al pie un pedestal con una vela que a juzgar por la cera que pendía del candelabro, había sido encendida reiteradamente durante muchos años. Ramiro le preguntó sobre las fotos en blanco y negro, algunas ya descoloridas por el tiempo, e hizo una comparación con las fotos de fines del siglo diecinueve que tenía en su casa de sus tatarabuelos, que se tomaron en Puerto Montt, en el momento en que pisaron por primera vez tierra chilena. Ramiro, después de reponerse de la sorpresa por el altar, le preguntó si era su hija la que estaba al centro. El padre se puso solemne y les relato la historia de como había perdido a su niña en 1975 cuando la represión de la dictadura, dirigida por el fiscal militar, había llegado hasta su casa en Temuco. Esos salvajes me fusilaron a mi hija, concluyó. Ramiro enmudeció, se acercó para ver de más cerca la foto con ansiedad. Su hermano hizo lo mismo. Consolaron a la pareja y le pidieron permiso para prender la vela que estaba en el candelabro. El hermano de Ramiro se persigno y rezó en silencio frente al altar, acto seguido encendió la vela y se despidieron.
Ramiro se puso detrás del volante como siempre y emprendieron el viaje mirando el volcán que echaba humo a bocanadas, a veces era espeso y de color casi como la sangre. Los hermanos se miraron en silencio. Ramiro entendió que tenía el mismo pensamiento que su hermano y preguntó con un golpe en el volante como queriendo una respuesta rápida y justiciera , ¿quién habrá sido el conchadesumadre que la mató?
Saturday, March 31, 2007
Colombian literature
Between Colombian authors the ongoing literary debate also involves a sensitive issue at the heart of Colombian society; stereotypical reputations and the international attention to Colombia has tended to give the country a reputation of only being a country of violence and drugs. Even though these do exist and are a problem, they are not the only reality in Colombia. In newly developing literature traditions there is an attempt to embrace globalisation re-inventing or romanticising the everyday quality of violence. This has included capturing urban realities and slum violence. In this way the new tradition is a means of bridging first and third worlds – serving a global reading of Colombia, New York, Bombay , London or anywhere. But among authors and scholars there is disagreement as to whether or not this kind of “new style” might only reinforce the stereotypes about Colombia.Angela Lewis
Angela,
A very intelligent conclusion, I will try to include it in my chat about Colombian literature in Wageningen, the 10th of april.
Kind Regards,
Ana
Saturday, February 17, 2007
Historia naranja de amor
“Papá, ¿por qué no viene Cruyff?” Así se llama el cuento sobre Orlando, escrito por el escritor argentino Gabriel Casas. Su protagonista es un chico de ocho años que, en la Argentina chiflada de fútbol de 1978, es hincha del equipo falso; Orlando es ‘pro naranja’.El relato, magnífico escrito, trata de un “bicho raro” que adora a los del equipo holandés porque son “los mejores futbolistas del planeta”.
Orlando quiere saber de su papá por qué el mejor futbolista Johan Cruyff no ha venido a Argentina. A lo que le contesta su padre, para su desconcierto, que Cruyff no quería venir a un país donde la junta militar “mata a la gente por la calle, o la hacen desaparecer”. Para evitar que sus compatriotas argentinas linchen a su hijo, no le permite que asista a la final entre Holanda y Argentina.
Una prudencia parecida explica que Casas no ha encontrado un editor para su cuento. La ‘historia naranja de amor’ sólo recién fue publicada por un editor pequeño y alternativo.
El cuento de Casas es un relato “antinacionalista”, como el periodista Pablo Llonto escribe en el prólogo. Y, en un periodo en lo que el patriotismo populista triunfa en Latinoamérica, eso es una característica peligrosa. Es decir que la ola izquierdista que inunda Latinoamérica es una ola sobre todo antiamericanista y antieuropea.
En Argentina echan la culpa de la crisis económica, que en el año 2001 ha enfrentado el país con problemas inimaginados, al extranjero. Son los obligacionistas y los bancos, los multinacionales y el Fondo Monetario Internacional que han llevado el país a la miseria.
En ese ambiente nacionalista no es aconsejable encapricharse con otro país. Tal vez es por eso que nadie en Argentina conoce al escritor Gabriel Casas. La editora Eloísa Cartonera sólo sabe mencionar que Casas nació en 1967. Le han enviado la historia de Cruyff por correo electrónico. Pablo Llonto describe en su libro sobre el Mundial de Fútbol en 1978 “La vergüenza de todos” cómo las Madres de la Plaza de Mayo, que en este momento estaban buscando a sus hijos, apelaron a los periodistas holandeses que contaran al mundo de la junta horrorosa.
Pero, hoy en día, las "Madres Locas" forman uno de los soportes más importantes del presidente izquierdista y populista de Argentina Nestór Kirchner. En la pancarta mayor, llevada por las Madres de la Plaza de Mayo después de que se había estallado la crisis, no estaba mencionado nada sobre los derechos humanos. El texto sólo dijo: “Termina el pago de la deuda al FMI”.
Marcel Haenen
(traducido por Ana)
Sunday, February 11, 2007
Tuesday, January 16, 2007
Juana la Loca
En realidad no me llamo Ana sino Anita, y nací en una finca (la finca de la foto) en el este del país. Anita es un nombre holandés. Mi madre contó que Anita vino del nombre de mi abuela. Ella se llamaba Hanna, de Johanna (Juana en español). Mi madre se llama Johanna (pero la llaman Jo).En español Anita suena un poco raro porque ya no soy la pequeña Ana de antes.
Mi abuela ni mi madre tiene algo que ver con Juana la Loca... Yo: sí.
Saturday, January 13, 2007
La colina
Más que 20.000 mujeres y hombres extras van a Vietnam, perdón, a Irak. Yo veo a Bush diciéndolo, y oigo el llanto y el rechinar de dientes de ellos que quedarán atrás; los padres, las parejas y los niños.Sobre el miedo de ellos existe un viejo y bello librito: So Long, Son (Adiós, Hijo). Salió en el año 1944, editado por Putnam’s Sons en Nueva York, en papel que todavía huele a la guerra, y con una cubierta en los colores de la bandera estadounidense. El escritor era Howard Vincent O’Brien, un columnista del periódico The Chicago Daily News.
Este escritor escribió una columna conmovedora cuando su hijo Donel, un oficial del Ejército estadounidense, “volvió” de Europa. De Donel sólo quedaba una caja con ropa y unas cosas personales, entregada correctamente a domicilio. “Fue increible que, de una aventura tan grande en un país lejano, quedó nada más que una moneda y un reloj que ya no funcionaba”, escribió O’Brien.
Esa columna la escribió después de la publicación de So Long, Son, en el mes de enero de 1945. Cuando publicó ese librito, su hijo ya se había dado por desaparecido, pero sus padres todavía habían abrigado la esperanza de que apareciera en algún sitio. El librito trata, sobre todo, de la decisión de su hijo de veintiun años para adelantar su incorporación al servicio militar, y de la confusión y el miedo que produjo eso a sus padres. Comienza así:
“Era a unas semanas después de Pearl Harbor. No había una orquesta, ni una bandera, ni una ceremonia. No ha sido dramático, el comienzo de esta historia. Afuera sonó el claxon del coche y él dijo: –Eso va a ser para mí.
Cogió su pequeña bolsa, y su madre dijo: –¿No has olvidado tus guantes?
Besó a su madre y a mí me alargó la mano. –Bueno, hasta la vista, entonces –dijo. Yo cogi su mano, pero sólo podía decir: –Cuídate.
La puerta se cerró y ya estaba, otra vez alguien para la guerra.”
O’Brien describe cómo anda al cuarto de su hijo, cómo mira sus cosas, y se acuerda cómo le ha criticado tantas veces:
“Y, en este momento pensé: que extraño tratamos a nuestros hijos; siempre ocupados con formarlos, siempre haciendo planes para un futuro que nunca llega, siempre dirigiéndonos a lo que podría ser, y nunca aceptándoles como son.”
En esos tiempos la presión moral a los jóvenes americanos para incorporarse al servicio era tan grande, que alguien como Donel apenas se atreviera a salir a la calle como civil. Como militar escribió muy aliviado a sus padres que al fin y al cabo fue liberado de esas “cejas arqueadas” y esas “miradas escrutadoras”. Temo para los militares que ahora deben ir a Irak, que tengan que buscarse un tipo de motivación completamente distinto.
Lo que siempre quedará es ese miedo insoportable de los de casa. Padres como los de Donel estaban pegados a la radio y leían de cabo a rabo los relatos de guerra de los periódicos. Cada día podía llegar ‘el telegrama’. La madre de Donel se lo leyó a su esposo, con “voz lagrimoso”, por teléfono: “Missing in action” (Desaparecido en acción).
“Pensé en la línea de Walt Whitman”, escribe O’Brien: “algo sobre la vida que consiste en conquistar una colina, para tropezarse después con una otra.”
Columna de Frits Abrahams,
en el periódico holandés el NRC:
http://weblogs.nrc.nl/weblog/dag/2007/01/11/heuvels/
(traducida por Ana)
Wednesday, January 03, 2007
Sunday, December 31, 2006
Ironía
Sunday, December 24, 2006
Jesús salva...

Y, privó a cada hombre de sus derechos
Para vivir así como le pareció bueno, y
toda la corteza terrestre era manchada
de una capa gruesa de sangre
En seguida, sumamente, ya era la hora de
que los paganos, después de una lucha dura
Guiada por los ejércitos y la iglesia,
fueran librados de su cultura
Eso mantuvieron durante siglos
Llenos de amor cortaron la mano derecha
de los ladrones, esclavos, niños y mujeres,
si habían dado un paso en falso
Causaron un complejo de culpa
cuando anduviste en ropa rara
O, cuando te excediste en el sexo
Ya tenías fama como brujo
Jesús salva, Jesús salva, ¡todo el mundo cuidado!
Jesús salva, Jesús salva, sólo por la oración
(el estribillo que suena fenomenal en holandés: Jezus redt, Jezus redt, alle mensen opgelet - Jezus redt, Jezus redt, enkel door 't gebed)
Friday, December 22, 2006
La hormiga y la ardilla: versión definitiva

Paseando por la parte oscura del bosque, la hormiga y la ardilla llegaron a una casa desmoronada.
La hormiga se subió al lomo de la ardilla, y miró adentro a través de la ventana rota.
–¿Qué ves? –preguntó la ardilla.
–Seguro que hace tiempo no ha vivido nadie aquí –opinó la ardilla.
–Vamos a entrar –dijo la hormiga y saltó al suelo.
Empujo hacia abajo el picaporte de la puerta principal, y pasó por el umbral.
Adentro todo estaba oscuro, viejo y abandonado. La ardilla siguió a la hormiga con pasos firmes y pestañeó.
–¿Quién habrá vivido aquí? –preguntó.
–Quieto –dijo la hormiga.
Miraron a su alrededor y se acostumbraron a la oscuridad. La hormiga cogió un libro que se encontraba en la mesa en la mano, y quitó el polvo soplando.
–Mira –dijo.
La ardilla miró y leyó: libro del olvido.
–¿Qué libro es ese? –preguntó.
La hormiga abrió el libro. En la primera página había un índice. Los capítulos se llamaban: Desaprender, Desamparar, Declinar, Dejar, Decaer, Decrecer, Decolorar y Desaperecer.
–Desaparecer –murmuró la ardilla–. ¡muéstramelo!
Cogió el libro y lo abrió por la última página. Pareció como si esa página fuera la más leída del libro.
La ardilla leyó: –... y al fin y al cabo todo será...
La página estaba rasgada, como si hubiera sido doblada con mucha prisa. La hormiga dijo: –¡no sigas leyendo! –, y tiró el libro de las manos de la ardilla, lo cerró, y lo puso en el suelo en un rincón lleno de polvo.
Las vigas crujieron y la ventana medio abierta golpeó un instante.
–Es el viento –dijo la ardilla.
–No –dijo la hormiga. Afuera no había viento.
–¿Quién habrá vivido aquí? –preguntó la ardilla.
–Yo pienso –dijo la hormiga–, que aquí nunca ha vivido nadie.
La ardilla puso cara muy seria, y siguió a la hormiga hacia fuera.
Entraron en el bosque.
–No miras hacia atrás –dijo la hormiga.
La ardilla miró hacia atrás y vió que la casa había desaparecido. Había un rosal en flor. Una nube pequeña y oscura se colocó en los pensamientos de la ardilla, y se quedó allí persistente.
(traducción: Dieuwke van den Berg y Anita Brus)
Wednesday, December 20, 2006
La hormiga y la ardilla, una traducción
Como Dieuwke y Ana tradujeron una pequeña fábula del escritor holandés Toon Tellegen, Dieuwke = rojo Ana = verde:
Caminando a la parte de atrás del bosque, la hormiga y la ardilla ik heb die regel nog even opgezocht, la verandert alleen in el als het vrouwelijk zelfstandig naamwoord met een beklemtoonde a of ha begint OK llegaron a una casa desmoronada.
La hormiga se subió a la espalda de la ardilla y miró adentro a través de la ventana rota.
–[i]¿Qué ves? –preguntó la ardilla. Ik heb die streepjes overgenomen uit een Spaans kinderboekje, volgens mij klopt het zo. Volgens mij ook
–Todo polvo –dijo la hormiga–. Todo cubierto de polvo.
–Seguro que hace tiempo no ha vivido nadie aquí –supuso[ii] ik denk toch dat suponer (of creer/pensar) hier beter is, het is meer vermoeden dan dat hij letterlijk een mening geeft OK la ardilla.
–Entramos –dijo la hormiga y saltó al suelo. Ik ben er nog steeds niet uit of er uitroeptekens bij de gebiedende wijs moeten of niet, wat vind jij? Nee, hier niet, het is wel de vorm van de gebiedende wijs, maar niet zo zeer een uitroep.
Empujo hacia abajo el picaporte de la puerta principal, y pasó por encima ik zou encima de toch weglaten, te letterlijk del umbral.
Adentro todo estaba oscuro, viejo y abandonado. La ardilla siguió a la hormiga con pasos firmes[iii] y pestañeó.
–¿Quién habría vivido aqui? –preguntó.
–Quieto –dijo la hormiga.
Miraron a su alrededor y se acostumbraron a la oscuridad. La hormiga tomó un libro que se encontraba en la mesa en su mano y quitó el polvo soplando[iv]. Van Dale: het stof van de tafel blazen: quitar el polvo de la mesa soplando, de combi quitar el polvo komt ook vaak voor OK
–Mira –dijo.
La ardilla miró y leyó: libro del olvido.
–¿Qué libro es eso? –preguntó.La hormiga abrió el libro. En la primera página había un índice. Los capítulos se llamaban: Olvidar, Salir, Perder, Abandonar, Decaer, Flaquear, Palidecer y Desaperecer. Alternatief:
Desaprender, Desamparar, Declinar, Dejar, Decaer, Decrecer, Decolorar y Desaperecer[v], de betekenissen wijken iets af maar ze beginnen nu wel allemaal met dezelfde letter, wat vind jij? Ik vind het wel mooi, maar dekt het helemaal de lading? en moet dat? Mis ik verliezen? Ook een mogelijkheid, met meer rijm: Salir, Olvidar, Abandonar, Flaquear, Perder, Decaer, Palidecer, Desaparecer. Maar ik vind jouw oplossing wel mooi toch, ook omdat de Nederlandse tekst ook woorden heeft met dezelfde beginletter. Dus er maar op wagen? (wel met noot)
–Desaparecer –murmuró la ardilla–. ¡muéstramelo!
Cogió el libro y lo abrió is doblar niet meer omslaan in plaats van openslaan? Vandaar dat ik abrió heb laten staan goed en la última página. Parecía voor mijn gevoel is imperfecto beter dan indefinido, omdat het iets beschrijft hier, maar ik kan het mis hebben… Ze slaan het open en zien iets op dat moment, het is geen beschrijving (door iemand anders) maar maakt deel uit van de handeling. Daarom moet het volgens mij een indefindo zijn como si esa página fuera la más leída del libro.
La ardilla leyó: –... y al fin y al cabo todo será...
Había un rasgón en esa página, como si fuera doblada con mucha prisa. La hormiga dijo:
–¡no sigas leyendo! –, y sacó el libro de las manos de la ardilla, lo cerró, y lo puso en el suelo en un rincón lleno de polvo.
Las vigas crujían, hierbij had ik hetzelfde als bij parecía nee, dit is duidelijk iets wat gebeurt, staat in de tekst als handeling (evenals het raam dat klepperde, zet je ook in de indefindo!), dus crujieron y la ventana media abierta golpeó un instante.
–Es el viento –dijo la ardilla.
–No –dijo la hormiga. Afuera no había viento.
–¿Quién habría vivido aqui? –preguntó la ardilla.
–Yo pienso –dijo la hormiga–, que aqui nunca ha vivido nadie.
La ardilla puso cara muy seria, y siguió a la hormiga hacia fuera.
Entraron en el bosque.
–No miras hacia atrás –dijo la hormiga.
La ardilla miró hacia atrás y vió que la casa había desaparecido. Había un rosal en flor. Una nube pequeña y oscura se colocó en los pensamientos de la ardilla, y se quedó allí persistente.
[i] Sustituimos las comillas por guiones, para marcar los diálogos de manera española.
[ii] Aquí había más opciones: suponer, pensar, o opninar. Opinar nos pareció demasiado fuerte, optamos por suponer.
[iii] Añadimos con pasos firmes para ilustrar enfatizar el stappen.
[iv] Tuvimos problemos encontrar la mejor traducción de het stof eraf blazen, comparamos algunas opciones (levantar/quitar el polvo soplando) y optamos por el verbo quitar.
[v] Para mantener los verbos empezando por la misma letra, eligimos algunos verbos que a lo mejor no coinciden con los verbos completamente.
Sunday, December 10, 2006
Pinochet murió
(Leer rápido y en voz alta)
Maldición
Anatema, muñeco del diablo,
títere ridículo maldito,
politiquero del esperpéntico,
espanto de Dios, viejo guiñapo.
Quebranto de la paz extrañable,
hecatombe de la democracia,
estrangulador de libertades,
ignorante de ideas malignas.
Renacuajo, gusano, gorila,
blasfeno, paranoico, animal,
alimaña, carroña, chacal.
Mal nacido, ladrón terrorista,
verdugo asesino, genocida,
¡Dictador, mil veces te maldigo!
Thursday, November 30, 2006
Memoria
Saturday, November 18, 2006
Las putas tristes de la farándula


Esta tarde tuve que pensar en ti, Efraim Medina Reyes, en lo que escribes sobre la farándula colombiana. Me gusta esa palabra que conozco gracias a ti. En Holanda estamos en plenas elecciones que parecen una farándula al máximo. Los políticos hacen de todo a condición de que estén exhibidos en la vitrina de la farándula nacional. Nuestro tonto ministro-presidente J.P. Balkenende se hace aún más tonto en un programa del corazón, y los otros políticos también hacen cualquier tipo de estupideces, sólo para mostrar sus caras.
El periodista Bas Heijne escribe en el NRC (uno de los periódicos más importantes que tenemos) sobre la farándula de la tele:
El problema de la tele holandesa no es que entrevistan a las estrellas de los culebrones como si fueran ganadores del Premio Nobel, sino que entrevistan a las personas serias como si fueran estrellas de los culebrones.
La “cultura” de la farándula resulta ser una cultura internacional. No voy a ver la tele esta noche, Efraim. Voy a leer Memoria de mis putas tristes a saber lo que escribe tu compañero “Márqueting”.
Un beso,
Ana
Tuesday, November 07, 2006
Las chicas en mi calle

Esta primavera las chicas en mi calle, más numerosas que nunca, trabajan en su figura. Si abro las cortinas de mi cuarto – alrededor de las siete – el espectáculo lento y seguro gana velocidad. Los hombres salen en sus autos a sus oficinas, y sus mujeres se echan a correr. En las tres horas siguientes, hasta que realmente se haga demasiado calor, se me hace difícil trabajar en serio. Pasan en un desfile vivo de muchos colores. Mi casa se encuentra a un kilómetro de distancia del club deportivo, y los árboles grandes de mi jardín ofrecen algo de sombra a las mujeres. Probablemente por esa razón justo en este lugar muchas veces soltan el acelerador, y vuelven a ordenar sus gafas de sol, sus cintas de pelo y sus medias. Y, si corren con sus amigas, que muchas veces es el caso, se toman un rato para una charla y un parloteo argentino sopla por la gasa mosquitera, entrando mi cuarto de trabajo.
Para los suscriptores de este blog http://weblogs.nrc.nl/weblog/tango/ esta mañana como siempre soleada he intentado a fotografiar a esas adictas deportivas argentinas. Pero, eso no resulta ser fácil. Corren más rápido que uno piensa. Antes de que haya puesto y dirigido mi cámera, muchas veces ya están a cuatro pasos y la foto sólo muestra un jirón de un culito. Disparé el flash con las primeras fotos, pero vi que con eso unas mujeres de repente se ponen a mirar en su alrededor. Entonces, por eso usted tiene que contentarse con estas fotos de movimiento natural. Por lo menos les dan una idea de las circunstancias laborales de un corresponsal en Latino-América.
Marcel Haenen
(traducido por Ana)
Friday, November 03, 2006
La chica Tanya
Metiéndome en el atasco diario cerca del aeropuerto Schiphol, llego jadeando al Oude raadhuis theater en Hoofddorp. Al Quinteto Tango Extremo y a sus dos músicos argentinos invitados los encuentro todavía cenando en el restaurante. Resulta que me haya equivocado en el horario, ¡estoy una hora demasiado temprano! Reconozco enseguida a Tanya Schaap, la chica con las piernas largas en el anuncio mural al lado mío. No sólo tiene piernas largas. Todos los hombres parecen pequeñitos al lado suyo. Después de un rato toda la banda se levanta y el concierto puede empezar.Voy a la caja, recogo el ticket y subo la escalera hacia la sala. El ticket menciona que se trata de un verdadero concierto. En realidad me había imaginado otra cosa, algo como un espectáculo de música y baile. En mi vestido y botas de tango de color rojo vivo, de repente me siento destacándome angustioso contra esas señoras en torno mío, señoras un poco más viejas y envueltas en colores grises. Temo que haya poco que bailar y veo que la sala pequeña con las sillas lilas tampoco ofrece mucho espacio para el baile. Una vez en la sala me siento en una silla lila en la primera fila. La tarima que está enfrente parece enorme. Está llena de los instrumentos de música y estándares cubiertos de boas rojas y negras. Detrás de mi está sentada una señora que habla demasiado fuerte, una de esas a quienes les gusta ser escuchadas, pero cuando aparece Tanya ella afortunadamente se calla.
Tanya aparece en una blusa roja, una falda negra punteada y con su violín “en posición de disparo”. Está acompañada por los cuatro otros miembros del Quinteto y anuncia que vamos a ver y escuchar un “try out”, un preestreno con lo que nos pide que no pensemos en “una actriz cómica que intenta algo en un chándal.” No, este preestreno lo debemos tomar muy en serio, aunque... Tanya sí actua muy en serio cuando empieza a tocar. De pronto su mirada se vuelve severa y ella hace movimientos salvajes con su arco. Después de unas tres canciones muy bien tocadas, entre otras la Canción del salmón y El silencio: una canción escrita por su madre, los músicos argentinos empiezan a acompañar al resto del grupo y escuchamos la verdadera música del Río de la Plata. Del guitarista argentino Gustavo Mozzi sabemos a lo largo del concierto que “prefiere Hoofddorp a Nueva York”, donde al mismo momento le dan un Grammy. Así Hoofddorp se convierte en un lugar espectacular, y después de una charla de Mozzi dirigida al público, Tanya lo traduce: “Dice que yo le gusto y que le da pena que ya tenga un novio fijo.” La señora terrible atrás, que resulta hablar español, piensa aprovechar la oportunidad para hacer una traducción suya. Lo agradable de Tanya es que no se lo importa un pito, y que de un momento al otro sigue tocando en toda su seriedad, como si no existieran las señoras terribles en absoluto. Tocan otra canción de su madre: La chica Tanya y terminan el concierto con la Milonga literal que tiene su origen en la parte fronteriza con Brasil.
Después del concierto otra vez encuentro a los músicos en el restaurante. Saludo a Tanya en la salida. No sólo es una chica encantada y alta, sino también toca fantástico como el resto de los músicos del Quinteto Tango Extremo que, junto con los dos músicos argentinos por un rato ha sido un Septeto. En el blog de Tanya http://home.wanadoo.nl/benvandendungen/ leo que todavía tendrán varias actuaciones en distintos lugares en Holanda (esta noche en La Haya, el 5 de noviembre en Hoorn y el 11 de noviembre en Rotterdam). Pasen y vean, pero sobre todo: ¡escuchen su música!
Ana
Véase también: el blog de Marcel Haenen; Corresponsal América Latina para el Diario nacional de Holanda NRC Handelsblad): www.nrc.nl/tango , y (a petición de Luc van Gestel, contrabajista del Quinteto Tango Extremo): http://www.tango-bands.com/ y http://www.argentijnse-tango.com/
La chica Tanya
Mij door de Schipholfile heenwurmend kom ik hijgend aan in Het Oude raadhuis theater in Hoofddorp. Het Quinteto Tango Extremo en hun twee Argentijnse gastmusici tref ik nog in het restaurant aan tafel, want ik blijk me vergist te hebben in de tijd; ik ben een uur te vroeg! Ik herken meteen Tanya Schaap, de vrouw met de lange benen van het affiche tegen de muur; ze heeft niet alleen lange benen, alle mannen lijken klein naast haar. Na een tijdje staat de band op en kan de voorstelling beginnen. Ik loop naar de kassa, haal mijn kaartje en loop richting zaal. Op het kaartje staat dat het om een heus concert gaat. Eigenlijk had ik me iets anders voorgesteld, meer iets in de trant van een muziek- en dansspektakel. In mijn knalrode jurk en tangolaarsjes voel ik me angstig rood afsteken tegen de toch wat oudere en in het grijs gehulde dames om mij heen. Ik vrees dat er weinig te dansen valt en zie dat de zaal met de lila stoelen daar ook te klein voor is. Eenmaal binnen nestel ik mij in zo’n mooie lila stoel op rij één. Het podium lijkt reusachtig en staat vol muziekinstrumenten en standaards waaromheen rode en zwarte boa’s zijn gedrapeerd. Achter me zit een vrouw die veel te luid spreekt, zo’n dame die graag gehoord wil worden, maar gelukkig stil valt als Tanya opkomt.
Tanya komt op met haar viool, in een rood blousje en een zwarte stippeltjesrok. Ze wordt in eerste instantie begeleid door de vier andere leden van het Quinteto en kondigt aan dat we gaan kijken en luisteren naar een try out. Maar ze verzekert ons dat we daarbij niet moeten denken aan zoiets als “Brigitte Kaandorp die maar wat in trainingspak staat uit te proberen.” Nee, deze try out blijkt heel serieus, hoewel… Tanya is zeker serieus zodra ze begint te spelen, ze kijkt dan heel ernstig en zwaait wild met haar strijkstok. Na ongeveer drie mummers, waaronder het prachtig gespeelde Canción del salmón en El silencio: geschreven door Tanya’s moeder, voegen de Argentijnse musici zich bij de groep en horen we la verdadera música del Río de la Plata. Over de Argentijnse gitarist Gustavo Mozzi komen we gedurende het concert te weten dat hij “Hoofddorp prefereert boven New York”, waar hij waarschijnlijk op hetzelfde moment een grammy uitgereikt krijgt (later blijkt dat hij die grammy inderdaad heeft gehad). Zo wordt Hoofddorp dus the place to be en nadat Gustavo zelf ook nog wat woorden tot het publiek richt, vertaalt Tanya; “Hij zegt dat hij mij leuk vindt en dat ie het jammer vindt dat ik al een vaste vriend heb.” Daar meent de hinderlijke vrouw achter me zich mee te moeten bemoeien die toevallig ook nog Spaans spreekt en de “vertaling” luid en duidelijk van Tanya overneemt. Het leuke van Tanya is dat ze daar totaal niet mee zit en van het ene op het andere moment in alle ernst verder speelt, alsof er helemaal geen hinderlijke vrouwen bestaan! Ze spelen nog een nummer van haar moeder: La chica Tanya en sluiten af met de Milonga literal die komt uit het gebied grenzend aan Brazilië.
Na de voorstelling zie ik de musici opnieuw in het restaurant en zwaai ik nog even naar Tanya. Behalve dat ze leuk en lang is, speelt ze werkelijk fantastisch, evenals de andere musici van het Quinteto Tango Extremo, die samen met de twee Argentijnen nu dus even een Septeto vormen. Ik zie op Tanya’s site http://home.wanadoo.nl/benvandendungen/ dat ze nog op verschillende plekken in Nederland optreden (o.a. in Dan Haag op 3 nov., in Hoorn op 5 nov. en in Rotterdam op 11 nov.) Ik raad iedereen aan ernaar toe te gaan, ook al moet je ervoor in de file staan.
Anita Brus
3/11/06
Zie ook:
het weblog van Marcel Haenen (correspondent Latijns-Amerika NRC Handelsblad): www.nrc.nl/tango
en (op verzoek van Luc van Gestel, de contrabassist van het Quinteto): http://www.tango-bands.com/ en http://www.argentijnse-tango.com/
Saturday, October 21, 2006
María
Llegamos a San Cipriano. En la ribera derecha y en el ángulo fornado por el río que da nombre al sitio, y por el Dagua, que parece regocijarse con su encuentro, estaba la casa, alzada sobre postes en medio de un platenal frondoso.Componíase la casa, como que era de las mejores del río, de un corredor, del cual, en cierta manera, formaba continuación la sala, pues las paredes de palma de ésta, en dos de los lados, apenas se levantaban a vara y media del suelo, presentando así la vista del Dagua por una parte y del dormido y sombrío San Cipriano por la otra...
María, Jorge Isaacs
Wednesday, October 18, 2006
Nancy
De winterzee bleef achter en de zon verwarmde het huis. Mama was op reis gegaan en haar vriendin Nancy ontfermde zich over mij. Nancy is groot en donker als een nispelboom. Zij kruipt naakt bij mij in bed en haar strelingen bezorgen mij kippevel. Ze noemt mij al een kleine man. Haar mond is groot en smaakt naar de zee van augustus. Haar lichaam lijkt enorm naast het mijne en heeft zo veel geheime plekken dat zelfs Zwarte Wolk (de dapperste speurder van het Wilde Westen) er maanden over zou doen om ze allemaal te ontdekken. Haar borsten hebben twee ronde donkere manen waar je duizelig van wordt als je ernaar kijkt. Ze wil weten wat er met je is gebeurd (het lijkt er op dat ze mama’s verhalen niet gelooft). Ik zeg haar dat ik elke nacht droom dat ik aan jouw hand de zee inloop en dat daarna alles donker wordt. Nancy’s mond verorbert mijn mond en zelfs mijn angsten.Traducción de una parte de "Técnicas de masturbación entre Batman y Robin", de Efraim Medina Reyes
Wednesday, October 04, 2006
Para Ella
Los alumnos entran, gritan, dicen: sí, profesora, y: no, preguntan a la profesora si ha ido a la peluquería, levantan la regla con una cartita puesta encima que dice: ¡ayúdame!, ponen la nota en la espalda de la profesora, se pegan con las reglas, se pegan, protestan, gritan una vez más, dicen cosas lindas como: usted lleva pendientes bonitos (pero eso siempre en pleno discurso de la profesora), se pelean otra vez, se toman las gomitas, tiran las gomitas en la clase, se ponen a cantar, se ponen a llorar, hacen bromas lindas y bromas terribles, tiran los papeles al suelo, tiran todo al suelo, cuentan sus pequeñas historias, cuentan historias sobre lo que hacen en otras clases, cuentan de todo, pero casi nunca se callan.Monday, October 02, 2006
Friday, September 15, 2006
Policías en las Amazonas
Mi acompañante dijo que nunca antes lo habían hecho, esos policias de Puerto Nariño. Puerto Nariño es un pequeño pueblo en el Río Amazonas. De vez en cuando llega un turista a quien normalmente no prestan mucha atención. Esta vez fue distinto, los policías se acercaron con una cámera para sacar una foto. No sé por qué, tal vez por mi pelo rubio, o para el archivo policial, o sólo por pura curiosidad. De todas formas la acción ha sido un poco extraña... Y, aún más extraño ha sido que ellos me permitieran sacar una foto de ellos mismos en una postura bastante informal. Ahora tenemos nuestras mutuas fotos, yo aquí en Holanda, y ellos allá en las Amazonas...Wednesday, September 13, 2006
San Cipriano: cómo Alice se va
Alice... ¿Te acuerdas cómo te fuiste en plena selva?
¿Cómo te fuiste en ese tren más ingenioso del mundo?
Sí, resulta que sí, lo describes muy bien en tu blog:
"The village it turns out is quite a way down what looks like a disused rail track. So, what the locals have done is develop their own transport using a woodern platform, a wooden bench (sadly not actually attached to the platform but precariously balanced) and a motorbike. Oh yes, the motor bike is attached to the platform, front wheel raised, back wheel resting on one of the tracks, and they drive at breakneck speed along the tracks to the village. Absolutly terrifying but so incredibly funny and you go through some stunning tropical rainforest the whole experience is totally unique and one i will probably never experience again."
Un beso de Ana























